Advies 369
Een advocaat mag niet getuigen in een dossier dat hij als advocaat behandelt - deze regel betekent evenwel niet dat een advocaat zich zou moeten terugtrekken uit elk dossier waarin hij vooraf aanwezig was bij feiten die een rol kunnen spelen bij de behandeling van de zaak
Advies 370
Geen deontologisch bezwaar dat een advocaat beslag legt op een rubriekrekening van twee confraters, waarvan een de rekening houdt in zijn hoedanigheid van curator – de beslagleggende advocaat mag evenwel geen kennis hebben van het bestaan van deze rekening en de onderliggende problematiek door schending van zijn beroepsgeheim
Advies 367
Artikel 2.3 bis van het reglement van de Nationale Orde van advocaten betreffende het overleggen van briefwisseling betreft een brief met uitsluitend de nauwkeurige omschrijving van precieze feiten.
De algemene regel is dat de brieven vertrouwelijk zijn en er bestaat geen enkele verplichting in hoofde van de ontvanger van een niet-vertrouwelijk brief om het niet-vertrouwelijk karakter van deze brief te aanvaarden. Het is niet onconfraterneel om het niet-vertrouwelijke karakter van een brief niet te aanvaarden.
Advies 368
De loyaliteit vereist dat advocaten niet concluderen in strijd met de werkelijkheid en dus ook niet in strijd met een werkelijkheid die uit vertrouwelijke briefwisseling blijkt - een vertrouwelijke brief geldt niet als ingebrekestelling
Advies 366
Het reglement samenwerkingsverbanden laat niet toe om in het kader van familiale vermogensplanning af te wijken van de regel dat alle aandelen van een vennootschap van advocaten in handen moeten zijn van advocaten. In de toelichting is wel bepaald dat de stafhouder in een concreet geval bepaalde afwijkingen zou kunnen toestaan.
Advies 365
Artikel 2 van het reglement betreffende het overleggen van briefwisseling tussen advocaten - een brief waarbij een advocaat overeenkomstig artikel 737 Gerechtelijk Wetboek aan een andere advocaat zijn stukken meedeelt, verliest in principe zijn vertrouwelijk karakter, ook wanneer de brief niet uitdrukkelijk het niet-vertrouwelijk karakter vermeldt - een brief die vertrouwelijke elementen vermengt met niet-vertrouwelijke moet vertrouwelijk blijven.
Advies 364
Overeenkomstig artikel 6 van het reglement betreffende de aan procedures verbonden regels van confraterniteit heeft de advocaat met betrekking tot een bepaalde zaak geen rechtstreeks contact met een partij, van wie hij weet dat deze in die zaak wordt bijgestaan door een advocaat, tenzij die advocaat uitdrukkelijk zijn toestemming heeft gegeven en op voorwaarde dat deze laatste op de hoogte wordt gehouden. Deze regel geldt niet voor akten van procedure, die door de advocaat worden opgesteld en worden overgemaakt aan de tegenpartij, zoals dagvaardingen, verzoekschriften, enzovoort.
Advies 362
Een advocaat die geconfronteerd wordt met het feit dat zijn als “niet-vertrouwelijk” bestempelde brief door zijn confrater als dusdanig niet aanvaard wordt, moet, in het licht van artikel 6 van het reglement betreffende de aan procedures verbonden regels van confraterniteit, zijn cliënt rechtstreeks de tegenpartij laten aanschrijven. Er is geen enkel bezwaar tegen dat de advocaat deze brief opstelt.
Advies 361
Een advocaat die niet de advocaat is van een van de partijen in een geding voor een buitenlandse rechtbank kan getuigen over het Belgisch huwelijksvermogensrecht - een advocaat kan echter niet getuigen in een zaak waarin hij ook optreedt als advocaat.
Advies 363
1. Een advocaat die na het vonnis zijn tegenstrever uitnodigt om te zorgen voor vrijwillige regeling binnen een bepaalde termijn en daarbij aankondigt dat hij na deze termijn zal overgaan tot betekening en uitvoering, voldoet aan het eerste lid van artikel 10 van het reglement betreffende de aan procedures verbonden regels van confraterniteit, maar nog niet aan het derde lid. Het is uitdrukkelijk de bedoeling van artikel 10 dat de advocaat een tweede brief schrijft, wanneer hij effectief aan de gerechtsdeurwaarder opdracht geeft om over te gaan tot betekening.
Een advocaat die het derde lid van artikel 10 niet kan naleven, omdat zijn mandaat ophoudt nadat hij vonnis heeft bekomen, moet zijn tegenstrever daarvan inlichten, opdat deze zou weten dat hij niet vooraf zal worden verwittigd van een eventuele betekening.
2. Indien een vonnis wordt betekend met miskenning van artikel 10 kan de stafhouder de betrokken advocaat opleggen alles in het werk te stellen om zijn cliënt ervan te overtuigen te verzaken aan het voordeel van de betekening. Hij kan ook, indien hoger beroep wordt aangetekend, de betrokken advocaat verbieden op te treden in graad van beroep, indien zijn cliënt niet verzaakt aan de betekening.
Advies 360
Berusting vergt een bijzonder mandaat - een advocaat mag een door de tegenpartij ondertekende akte van berusting eisen en dient geen genoegen te nemen met een (zelfs niet-vertrouwelijke) brief van zijn confrater. Indien de advocaat van mening is dat een door de tegenpartij ondertekende akte van berusting moet worden gevraagd, dan is dit zijn goed recht en dan primeert het belang van de cliënt boven de confraterniteit begrepen als vertrouwensrelatie tussen advocaten.
Advies 359
Artikel 2, eerste lid, 3°bis van het reglement van de Nationale Orde betreffende het overleggen van briefwisseling tussen advocaten - opdat een brief krachtens dit artikel niet-vertrouwelijk zou zijn dient deze aan drie vereisten te voldoen: als niet–vertrouwelijk aangemerkt zijn, een deurwaardersexploot of een mededeling van partij tot partij vervangen en uitsluitend een nauwkeurige omschrijving van precieze feiten bevatten.
Voorwaarde 2 - in casu werd de brief geschreven om een officieel spoor te laten van een vastgesteld feit. De bedoeling van de brief was dus eerder om een deurwaardersvaststelling te vervangen. Een nietvertrouwelijke brief van een advocaat kan immers nooit een deurwaardersvaststelling “vervangen”. De niet-vertrouwelijke brief heeft niet dezelfde bewijswaarde. Het is wel de bedoeling van het reglement om de mogelijkheid te bieden om via een niet-vertrouwelijke brief een spoor te laten van een feit in de tijd.
Voorwaarde 3 - nauwkeurige omschrijving van precieze feiten: nergens in het reglement staat dat de beschreven feiten ook bewezen moeten zijn. Ook een eenzijdige bewering kan een feit zijn. Het in het reglement beschreven doel “een deurwaardersexploot te vervangen” toont aan dat de bedoeling van een niet-vertrouwelijke brief kan zijn dat men een bewijs wil creëren.