Deontologie-advies Advies 753
Aangezien de deontologie van de advocaat niet aan de cliënt kan worden tegengeworpen en een injunctie naar aanleiding van een inbreuk op artikelen 105 en 106 van de Codex Deontologie voor Advocaten afbreuk zou doen aan de burgerlijke rechten van de cliënt, lijkt het aangewezen om de advocaat slechts te suggereren zijn cliënt op te roepen om te verzaken aan het voordeel van het verstekvonnis en niet over te gaan tot betekening, in plaats van hem dit te gebieden. Indien de cliënt hieraan geen gevolg zou geven, zou de advocaat zich niet langer hoeven terug te trekken uit de zaak.
De loyaliteit gebiedt een advocaat alles in het werk te stellen om de nadelige gevolgen van zijn ondeontologisch handelen zoveel mogelijk teniet te doen.
Bij een inbreuk op artikel 105 Codex Deontologie voor Advocaten kan de stafhouder een inberaadname door de rechter niet ongedaan maken. Hij zou de advocaat wel kunnen bevelen zich niet te verzetten tegen een verzoek van zijn tegenstrever tot heropening der debatten, maar het is uiteindelijk de rechter die over dat verzoek zal beslissen.
Een injunctie van de stafhouder kan een financiële tussenkomst tot voorwerp zou kunnen hebben.
Auteur
Merve Köse
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
1.
U vraagt mijn standpunt over de vraag of het tot de bevoegdheid van de stafhouder behoort om naar aanleiding van een schending van de artikelen 105 en 106 van de Codex Deontologie voor Advocaten de betrokken advocaat te gebieden om zijn cliënt ervan te overtuigen te verzaken aan het voordeel van het verstekvonnis en bijgevolg af te zien van de betekening ervan en zich terug te trekken uit de zaak indien de cliënt hieraan geen gevolg geeft.
2.
Daarnaast vraagt u mijn standpunt of de stafhouder een advocaat die in strijd met artikel 105 van de Codex Deontologie voor Advocaten handelt, kan gebieden om – naar gelang de omstandigheden – de deurwaarderskosten volledig of gedeeltelijk te dragen.
Ik verleen u daarbij volgend advies.
Advies
1.
Aangezien de deontologie van de advocaat niet tegenwerpbaar is aan de cliënt, en dergelijke injunctie afbreuk zou doen aan de burgerlijke rechten van de cliënt, lijkt het u aangewezen om de betrokken advocaat slechts te suggereren zijn cliënt op te roepen om te verzaken aan het voordeel van het verstekvonnis en niet over te gaan tot betekening, in plaats van hem dit te gebieden. Indien de cliënt hieraan geen gevolg zou geven, zou de advocaat zich niet langer hoeven terug te trekken uit de zaak.
2.
Artikel 105 Codex Deontologie voor Advocaten luidt als volgt:
“De advocaat die vaststelt dat een in de zaak betrokken confrater afwezig is op een vastgestelde zitting doet al het mogelijke om hem te bereiken en met hem af te spreken alvorens de zaak, indien nodig, in zijn afwezigheid te laten behandelen. Een advocaat mag de zaak enkel in afwezigheid van een in de zaak betrokken confrater behandelen, indien hij die confrater schriftelijk op de hoogte had gebracht van de pleitdatum en van zijn intentie om de zaak in elk geval te behandelen.”
Artikel 106 Codex Deontologie voor Advocaten bepaalt verder het volgende:
“Vooraleer tot betekening en ten uitvoerlegging van een gerechtelijke beslissing te laten overgaan, nodigt de advocaat zijn tegenstrever uit tot vrijwillige uitvoering en/of berusting en verleent hij hem hiertoe een redelijke termijn.
De onmiddellijke betekening en/of ten uitvoerlegging kan ook in geval van hoogdringendheid of noodzakelijkheid voortvloeiende uit de wet of uit de beslissing zelf.
De advocaat brengt steeds de betrokken advocaten op de hoogte dat hij opdracht geeft om een gerechtelijke beslissing te laten betekenen. Hij doet dat ten laatste op het ogenblik dat hij die opdracht geeft.”
De loyaliteit gebiedt een advocaat alles in het werk te stellen om de nadelige gevolgen van zijn ondeontologisch handelen zoveel mogelijk teniet te doen. In gevallen waarin een vonnis wordt betekend met miskenning van artikel 106 van de Codex Deontologie voor Advocaten, kan de stafhouder daarom de betrokken advocaat opleggen alles in het werk te stellen om zijn cliënt ervan te overtuigen te verzaken aan het voordeel van de betekening.
Hij zou ook, indien hoger beroep wordt aangetekend, de betrokken advocaat kunnen verbieden op te treden in graad van beroep, indien zijn cliënt niet verzaakt aan de betekening, maar verder reikt de bevoegdheid van een stafhouder niet (cf. adviezen nrs. 363 en 550 van het departement deontologie OVB). Uiteraard zal vervolgens ook aan de opvolgende advocaat de injunctie kunnen opgelegd worden om niet op te treden, voor zo ver de cliënt blijft volhouden niet te willen verzaken aan de betekening.
Dit laatste maakte voorwerp uit van een bespreking binnen de commissie deontologie op de vergadering van 30 januari 2025. De stelling dat ook aan de opvolgende advocaat de injunctie kan opgelegd worden om de cliënt te overtuigen en, bij negatief resultaat, niet verder op te treden, wordt niet algemeen gedragen, gezien dit de rechten van verdediging en de vrije keuze van raadsman te zeer zou beperken.
De bedoeling van artikel 106, 3° lid van de Codex is duidelijk: de advocaat dient een tweede kennisgeving te doen aan zijn tegenstrever, wanneer hij effectief aan de gerechtsdeurwaarder opdracht geeft om over te gaan tot betekening. Deze verwittiging aan zijn confrater gebeurt uiterlijk gelijktijdig met de opdracht aan de gerechtsdeurwaarder. (Jo STEVENS, Advocatuur. Regels en Deontologie, 2015, 1365).
Een inbreuk hierop is overigens ook een tuchtvergrijp en wordt tuchtrechtelijk bestraft (zie o.m. tuchtraad Gent 21 maart 2018, tuchtraad Brussel 29 mei 2018 en tuchtraad van beroep 10 maart 2020).
De stafhouder kan derhalve ook remediërend optreden en trachten het berokkende nadeel te verhelpen, precies door een injunctie op te leggen en derhalve geen loutere suggestie te formuleren.
Wat een inbreuk op artikel 105 Codex Deontologie voor Advocaten betreft kan de stafhouder vanzelfsprekend een in beraadname door de rechter niet ongedaan maken. Hij zou gebeurlijk wel de advocaat die deze inbreuk pleegde kunnen bevelen zich niet te verzetten tegen een verzoek van zijn tegenstrever tot heropening der debatten (art. 772 Ger.W.), maar het is uiteindelijk de rechter die over dat verzoek zal beslissen (cf. advies nr. 333 van het departement deontologie OVB; J. STEVENS, o.c., 1357.)
Wanneer de rechtzoekende een beroep doet op een advocaat, doet hij beroep op een dienstverlener met een exclusief en wettelijk beschermd beroep, die evenwel ook gehouden is aan een eigen deontologie. Op grond hiervan kan ingevolge een inbreuk op de artikelen 105 en 106 van de Codex Deontologie voor Advocaten een injunctie worden opgelegd, ook aan opvolgende advocaten.
Er moet worden verwezen naar het arrest Akzo Nobel (HvJ 14 september 2010, RW 2010-11, 1684 en voorafgaande noot van J. Stevens, RW 2010-11, 1666). De Grote Kamer van het Europees Hof benadrukt dat, wanneer een rechtssubject een beroep wil doen op advisering door een advocaat, hij moet aanvaarden dat aan de advocaat beperkingen en voorwaarden worden gesteld eigen aan de uitoefening van dat beroep.
Stevens (Advocatuur, Regels en Deontologie, 2015, nr. 24) benadrukt dat de voorgaande overweging het verdient om ruime toepassing te vinden in het nationaal recht, waar men al te gemakkelijk de burgerlijke gevolgen van deontologische en professionele regels onder het tapijt poogt te vegen.
Ook een opvolgende advocaat kan derhalve voor de cliënt geen voordeel putten uit het deontologisch laakbaar optreden van een voorganger.
3.
Onder de OBFG-reglementering is het de stafhouder toegelaten om de advocaat die laat betekenen zonder de regels ervan in acht te nemen, de kosten van de betekening te laten dragen (artikel 6.19 van de OBFG codex: “Sans préjudice de la mise en cause de sa responsabilité, les frais de la signification et de l’exécution peuvent être mis à charge de l’avocat qui y a fait procéder si la signification ou l’exécution ont été faites sans l’avis préalable prescrit à l’article précédent. ».)
Het reglement van de Nationale Orde voorzag dit vroeger ook. Sedert 2007 geldt het OVB reglement op de aan procedure verbonden regels van confraterniteit, thans opgenomen in de Codex vanaf art. 97 e.v.
Hoewel niet meer uitdrukkelijk wordt voorzien in de mogelijkheid tot het opleggen van een financiële tussenkomst bij betekening zonder verwittiging van de confrater, net zomin als bij het nutteloos doen wachten of verplaatsen van een confrater, wil dit niet zeggen dat een injunctie van de stafhouder een financiële tussenkomst niet tot voorwerp zou kunnen hebben.
De injunctiebevoegdheid van de stafhouder is een essentieel instrument voor het waarborgen van de deontologische normen en de integriteit binnen de advocatuur. Deze bevoegdheid van de stafhouder vloeit onder meer voort uit artikel 473 Ger.W. en is noodzakelijk om de behoorlijke uitoefening van het beroep door de betrokken advocaat te waarborgen en om de goede werking van de advocatuur als geheel te handhaven.
Indien de stafhouder bij een schending van de deontologie geen injunctie zou kunnen opleggen, maar enkel een suggestie zou mogen doen, betekent dit de afkalving van het handhavingsbeleid. Hierdoor worden de bevoegdheden van de stafhouder uitgehold, en komt het gezag van de stafhouder – als hoofd van de Orde – in het gedrang.
Jan Meerts
Bestuurder deontologie, tucht en regulering