Ga verder naar de inhoud

Limburgse advocate weggelaten wegens helpen in restaurant: hoe zit dat eigenlijk?

donderdag 05 februari 2026

Er is opschudding ontstaan over de beslissing tot weglating van de Limburgse advocate die meewerkt in het restaurant van haar man. Er is gebleken dat er nogal wat verwarring daarrond bestaat, en ook kritiek op de beslissing. Hieronder enkele elementen van duiding.

Auteur

Peter Callens

Voorzitter Orde van Vlaamse Balies
Portret voorzitter Peter Callens

Deel dit artikel

  1. De beslissing is genomen door de tuchtraad van beroep voor advocaten. Dat is een onafhankelijk, door de wet ingesteld rechtscollege, dat voorgezeten wordt door een voorzitter van het hof van beroep en verder bestaat uit vier advocaten, die voor een hernieuwbare periode van drie jaar benoemd zijn. Een advocaat-generaal bij het hof van beroep te Brussel brengt advies uit. Tegen beslissingen van de tuchtraad van beroep is een voorziening in cassatie mogelijk.

  2. De tuchtraad van beroep deed uitspraak in het kader van een beroep tegen een eerdere, qua uitkomst eensluidende beslissing van de raad van de Orde van balie Limburg. De Limburgse Orde heeft, in overeenstemming met artikel 11quinquies, 2de lid, Codex Deontologie, het voorafgaande, niet-bindende advies ingewonnen van de voorzitter van de Commissie Deontologie van de OVB. De betrokken advocate heeft daarop kunnen repliceren.

  3. De uitspraak van de tuchtraad van beroep is niet uitvoerbaar omdat er nog een termijn voor cassatie loopt. Die termijn bedraagt 2 maanden. De betrokken advocate is dus tot nader order nog steeds advocaat.

  4. De weglating is een zgn. administratieve maatregel, geen tuchtstraf. De weglating heeft te maken met een wettelijke onverenigbaarheid (zie verder). Men beweert dus niet dat de advocate iets verkeerds zou gedaan hebben, wel dat zij een activiteit voert die niet verenigbaar is met advocatuur. Als die onverenigbaarheid wegvalt kan de advocate ongehinderd advocaat blijven (of opnieuw worden).

  5. De onverenigbaarheid is geen regel van deontologie van de advocaat, d.i. geen regel die de advocatuur aan zichzelf oplegt. Wat is zij dan wel? De onverenigbaarheid vloeit voort uit een wettelijke regel (art. 437, 3° Gerechtelijk Wetboek) die advocaten verbiedt om ‘handel en nijverheid’ te voeren. Die regel bestaat al eeuwen, in die vorm sinds 1967, en is van openbare orde.

    De achterliggende filosofie – waarmee men het eens of oneens kan zijn – is dat handel of nijverheid de onafhankelijkheid van de advocaat in het gedrang kan brengen.

    Zo kan de advocaat voor zijn activiteit als advocaat onder druk komen te staan van handelspartners, schuldeisers of anderen die een belang hebben bij de nevenactiviteit. Dergelijke pressie wil de wettelijke regel voorkomen.

    Voorts kan er soms een gevaar ontstaan voor het beroepsgeheim, als de advocaat voor zijn nevenactiviteit gebruik zou maken van wat hij vernomen heeft in zijn advocatenpraktijk.

    Ook wordt eraan herinnerd dat advocaten derdengelden ontvangen; bij geldproblemen in de nevenactiviteit zou de advocaat de bekoring kunnen krijgen om daarvoor de derdengelden (van cliënten) aan te wenden, wat natuurlijk verboden is. Ook dat wil men voorkomen.

  6. De traditionele visie stelt vervolgens dat handelsactiviteiten niet in overeenstemming zijn met de waardigheid van de advocaat. Advocaat zijn is kiezen voor een beroep, en kiezen is verliezen. Dat argument heeft nog veel voorstanders, maar die zijn dalend in aantal.

  7. Elkeen mag vinden dat artikel 437, 3° achterhaald is. Maar tot nu toe is er geen parlementaire meerderheid gevonden om het te wijzigen. De wet is dus de wet, en de tuchtraad van beroep heeft zich daarop gebaseerd.

  8. Als art. 437, 3° zou wegvallen, moet je je afvragen of er dan iets in de plaats moet komen. Mag een advocaat een casino uitbaten, of na zijn uren – zeg maar – bankier, taxichauffeur of frituuruitbater zijn?

  9. De OVB verwachtte, al in 2018, dat met de hervorming van het ondernemingsrecht, het verbod op handel en nijverheid zou vervallen. Daarop is geanticipeerd en daarom staat er in de Codex Deontologie (art. 11bis) dat verboden zijn, o.m. die activiteiten die een wezenlijke dreiging doen ontstaan voor vermogensvermenging. Dat verbod bevat ook een lijst van nevenactiviteiten die automatisch verboden zijn, zoals de exploitatie van een bankactiviteit of een beursvennootschap, de wapenhandel, kansspelen enz. Maar art. 437, 3° is er nog steeds en heeft voorrang op deze deontologische regel.

  10. Daarbij komt dat art. 254 lid 2 van de wet van 15 april 2018 ‘houdende hervorming van het ondernemingsrecht’ bepaalt dat de wet geen wijziging aanbrengt aan de wettelijke, reglementaire of deontologische bepalingen die met verwijzing naar de begrippen handelaar, koopman of afgeleide begrippen, beperkingen opleggen aan de toegelaten activiteiten van gereglementeerde beroepen.

  11. Ingeval de betrokken advocate zich voorziet in cassatie zal het aan het Hof van Cassatie toekomen om te beoordelen of de tuchtraad van beroep artikel 437, 3° correct heeft toegepast in dit concrete geval.


Peter Callens
Voorzitter Orde van Vlaamse Balies

Ook interessant

Deontologie
dinsdag 07 april 2026

Algemene vergadering keurt vernieuwd werkingsreglement goed

Op 25 februari 2026 heeft onze algemene vergadering een volledig herwerkt werkingsreglement goedgekeurd.

Meer lezen
Tucht
donderdag 27 november 2025

Stel u kandidaat voor het College van Toezicht

Heeft u interesse in de deontologie en het tuchtrecht van de advocatuur? Stel u dan kandidaat om deel uit te maken van het College van Toezicht.

Meer lezen