Deontologie-advies Advies 744
Voor het delen van een vonnis of arrest kan men niet vervolgd worden op basis van artikel 458 Sw. Dit strafrechtelijk beroepsgeheim betreft uitsluitend de “geheimen” waarvan de advocaat in zijn beroepsuitoefening kennis krijgt. Een per definitie openbaar vonnis is geen geheim. Dit staat evenwel los van de eventuele inbreuk op het deontologische beroepsgeheim.
Krachtens artikel 7 van de Codex Deontologie voor Advocaten kan de advocaat geen zaak van een nieuwe cliënt op zich nemen, indien de geheimhouding van de vertrouwelijke informatie die hij van de andere cliënt heeft verkregen, dreigt te worden aangetast.
Auteur
Merve Köse
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
De advocaat van “A”, wenst in het kader van een procedure van bewarend beslag met als tegenpartij “B”, een kopie van een arrest van het hof van beroep en van een vonnis van de beslagrechter bij te brengen.
Deze uitspraken zijn geveld in een procedure, die zij ook tegen die partij “B” voerde, doch optredende voor een andere cliënt, “C”.
In het betrokken arrest wordt partij “B” strafrechtelijk veroordeeld wegens valsheid in geschrifte en oplichting.
De procedure waarin advocaat X optreedt voor “A” behelst gelijkaardige feiten als diegene waarop de veroordeling door het hof van beroep lastens “B” werd uitgesproken.
Advocaat Y, raadsman van “B”, beweert dat het beroepsgeheim wordt geschonden. Hij stelt dat, indien het arrest en het vonnis worden bijgebracht, zijn cliënt strafklacht zal neerleggen tegen advocaat X. Hij wordt hierin gevolgd door zijn stafhouder.
Een tussenoplossing waarbij het arrest en vonnis geanonimiseerd zouden kunnen worden bijgebracht, werd door advocaat X verworpen.
Zij stelt dat het beroepsgeheim enkel geldt ten aanzien van de cliënt, in casu “C”, en dat zij toestemming heeft van “C” om de uitspraken aan te wenden in de andere procedure.
De stafouder is geneigd het standpunt van advocaat X te volgen.
De principiële vraag die voorligt, is de volgende: schendt een advocaat zijn beroepsgeheim wanneer hij niet gepubliceerde rechtspraak uit een procedure, waarin hij zelf optrad als advocaat van één van de partijen, neerlegt als stuk in een andere zaak waarin hij optreedt voor een andere partij?
Deze vraag maakte ook het voorwerp uit van deontologisch advies nummer 269.
Ik verleen u volgend advies.
Advies
Er dient in eerste instantie verwezen naar de algemene bepalingen van de Codex Deontologie voor Advocaten:
Art. 18
De advocaat is gehouden tot het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim strekt zich uit tot alle vertrouwelijke informatie die de advocaat in de uitvoering van zijn opdracht verneemt of vaststelt en geldt onbeperkt in de tijd.
Het beroepsgeheim betreft in eerste orde de schriftelijke (of elektronische) correspondentie en de telefonische of louter mondelinge communicatie tussen een advocaat en zijn cliënt en hun gebeurlijke bijlagen, zoals ontwerpen van brieven, dadingen, akkoorden en procedureakten, de gegeven consultaties, de persoonlijke nota’s door de cliënt aan zijn advocaat overgemaakt of met het oog op een consulatie met de advocaat opgesteld, al dan niet met de bedoeling hem deze te overhandigen en de nota’s, agenda’s, dossiers en ereloonstaten van deze laatste.
Een eerste vraag die rijst is of vonnissen en arresten, die in principe in openbare zitting worden uitgesproken, al dan niet vallen onder “alle vertrouwelijke informatie”.
Het principe dat terechtzittingen en vonnissen openbaar zijn, wordt uitdrukkelijk vermeld in artikel 148 G.W. en artikel 757 Ger.W.. Krachtens art 1380 Ger.W. kan iedere belanghebbende zelf een afschrift van een uitgesproken vonnis verkrijgen.
Dit maakt dat men voor het delen van een vonnis of arrest niet kan vervolgd worden op basis van artikel 458 Sw. Dit strafrechtelijk beroepsgeheim betreft uitsluitend de “geheimen” waarvan de advocaat in zijn beroepsuitoefening kennis krijgt. Een per definitie openbaar vonnis is geen geheim.
Dit staat evenwel los van de eventuele inbreuk op het deontologische beroepsgeheim.
Opdat - in dit concrete voorbeeld - “B” überhaupt kennis zou hebben van de zaak tegen partij “C”, moet dat hem/haar dat immers door iemand meegedeeld zijn.
De vraag is of het delen van die informatie op zich al dan niet verboden is door de deontologie.
Art. 19
De advocaat mag enkel vertrouwelijke informatie aan de rechtbanken, scheidsgerechten en derden verstrekken voor zover:
- de vrijgave van die informatie relevant is, en
- de vrijgave van die informatie in het belang van de cliënt is, en
- de cliënt akkoord gaat met de vrijgave van die informatie, en
- de vrijgave van die informatie niet wettelijk verboden is.
Of het delen van de informatie uit het dossier van “B” met “A” in casu in het belang van de cliënt, met name “B” is, is maar de vraag.
In een eerder advies (296) is – op basis van een besluit van de commissie deontologie – tot het volgende besluit gekomen:
Men moet een onderscheid maken tussen het aanwenden van een uitspraak ad hominem en ad principium. Wij kunnen alleszins niet als principe stellen dat een advocaat te allen tijde niet gepubliceerde vonnissen of arresten mag aanhalen.
Evenmin kan als principe worden gesteld dat het aanhalen van niet gepubliceerde rechtspraak steeds verboden zou zijn omwille van een schending van het beroepsgeheim of de discretieplicht.
Het antwoord op de vraag is wellicht dat de stafhouder in elk concreet geval zal moeten oordelen of de mededeling van een niet gepubliceerd vonnis of arrest op grond van de concrete gegevens van de zaak deontologisch aanvaardbaar is of niet.
In het dossier dat thans voorligt wordt wel bevestigd dat de vroegere cliënt uit de eerdere zaak, van wie de belangen door het beroepsgeheim beschermd zouden moeten worden, zijn toestemming heeft gegeven om de niet gepubliceerde rechtspraak ook in het nieuwe dossier aan te wenden. Deze toestemming is belangrijk.
Alleszins kan “B” zich niet beroepen op een beroepsgeheim, gezien er tussen deze partij en advocaat X geen beroepsgeheim speelt.
Ten slotte is er nog artikel 7 van de Codex Deontologie voor Advocaten, op basis waarvan de advocaat geen zaak van een nieuwe cliënt op zich mag nemen, indien de geheimhouding van de vertrouwelijke informatie die hij van de andere cliënt heeft verkregen, dreigt te worden aangetast. Dit speelt in deze niet echt, al zeker niet gelet op de voormelde toestemming die van de eerdere cliënt werd bekomen.
In het licht van het bovenstaande komt het mij dan ook voor dat de niet gepubliceerde rechtspraak mag worden aangewend, zij het dat de naam van de oudere cliënt, minstens om redenen van discretie, best geanonimiseerd wordt.
Jan Meerts
Bestuurder deontologie, tucht en regulering
Download
Lees ook dit advies: