Deontologie-advies Advies 534
Bij een huiszoeking bij een cliënt van de advocaat moeten documenten (e-mails, ontwerp van een vertrouwelijk voorstel,…) van de advocaat uit het strafdossier worden gehaald - een proces-verbaal gesteund op handelingen die het beroepsgeheim miskennen, is door nietigheid aangetast.
Auteur
Dominique Dombret
Auteur
Merve Köse
Vraag
U werd vorige week geconfronteerd met een probleem bij een huiszoeking bij de cliënt van een advocaat van uw balie. U stelt volgende vragen:
1.) Moeten de e-mails tussen de advocaat en de cliënt uit het strafdossier gehaald worden?
2.) Moet het ontwerp van vertrouwelijk voorstel uitgaande van de advocaat van de beklaagde en de advocaat van de burgerlijke partij uit het strafdossier gehaald worden?
3.) Moet het proces-verbaal dat geënt is op de e-mail tussen de advocaat en de cliënt (en is geënt op het ontwerp van vertrouwelijk voorstel) en waarbij vervreemding van € 140.000 in plaats van € 75.000 wordt toegegeven uit het strafdossier gehaald worden?
U vraagt tevens of er precedenten gekend zijn.
Advies
Uw vragen betreffende het verwijderen van stukken uit het strafdossier moeten bevestigend beantwoord worden. Voor de omstandige motivering hiervan verwijs ik naar advies 484 van het departement deontologie, wat tevens als een precedent kan beschouwd worden hoewel het een fiscale zaak betreft. Ik voeg dit advies als kopie toe.
Dit was sedert lang geleden reeds het geval.
Ik kan daarvoor nuttig verwijzen naar het werk van L. VIAENE, “Huiszoeking en beslag in strafzaken”, APR 1962 (reeks met de zwarte band), 287, waarvan u als bijlage kopie aantreft.
Ook in de Repertoire pratique de droit Belge (RPDB, V, procedure penale) wordt het standpunt van L. VIAENE, voormalig kamervoorzitter in het hof van beroep te Gent en voormalig voorzitter van het Hoog Comité van Toezicht, bevestigd.
Deze stelling is ook recent bevestigd door D. VAN GERVEN in zijn bijdrage in het TPR (D. VAN GERVEN, “Het beroepsgeheim van de advocaat”, TPR 2012, 1413 e.v.).
Meer bepaald onder het nummer 42 op p. 1459 stelt hij uitdrukkelijk dat onderhandelingen tussen advocaten nooit als grondslag van een rechtszaak kunnen dienen. Onder het nummer 48 op p.1459 bespreekt hij de gevolgen hiervan onder verwijzing naar de rechtspraak.
De gevolgen van het behouden van dergelijke stukken in de bundel kunnen de hele zaak volledig onbeoordeelbaar maken.
Tot slot wil ik u volgende rechtspraak aangehaald in het artikel van D. VAN GERVEN in het TPR van 2012 niet onthouden. Een proces-verbaal gesteund op handelingen die het beroepsgeheim miskennen, is door nietigheid aangetast (Gent 29 maart 2001, TGR 2001, 309; Luik 10 december 2007, JLMB 2008, 1419.). In het algemeen is volgens het Hof van Cassatie de veroordeling op grond van informatie die onder het beroepsgeheim valt, onregelmatig wegens schending van de rechten van verdediging. De rechter zou de rechten van verdediging schenden; een veroordeling op grond hiervan is nietig (Cass. 9 mei 2007, JT 2007, 526, noot L. KENNES; T. Strafr. 2008, 97, T. DECAIGNY.).