Standpunt wettelijk kader voor videoconferentie
Het wetsontwerp tot organisatie van zittingen via videoconferentie in het kader van gerechtelijke procedures werd op 1 december 2023 in de Kamer ingediend. Meer dan een jaar geleden al adviseerden we bij het voorontwerp. We stellen vast dat onze inspanningen zich vertaald hebben in een sterkere tekst die de fysieke verschijning en de toestemming door de partijen centraal stelt en de rechten van verdediging beter waarborgt. Toch blijven er ook aandachtspunten.
UITGANGSPUNT OVB
Ons standpunt is dat de fysieke verschijning de regel moet zijn en blijven en dat voorafgaande instemming van de partijen vereist is om videoconferentie te kunnen inzetten.
Niet elke zaak leent zich tot behandeling op een zitting via videoconferentie. In commerciële zaken zal het een doorgaans minder grote impact hebben en dus sneller als nuttig en efficiënt worden ervaren dan bijvoorbeeld in familiaalrechtelijke geschillen met een sterke emotionele component.
In strafzaken zou het al helemaal een “last resort” moeten zijn. Strafzaken hebben een extra beladen karakter waardoor de fysieke aanwezigheid van de verdachte des te belangrijker is. Om een volledig beeld van de verdachte te krijgen, schiet een videoconferentie tekort. Bovendien draagt de verdachte die zich in de gevangenis bevindt al te veel de stempel van gedetineerde.
Het wetsontwerp is een stevige stap vooruit en komt tegemoet aan heel wat bezwaren. Echter is het ontwerp neit verlost van alle probleempunten, deze stippen we graag nog aan in ons standpunt.