Standpunt taalgebruik processen-verbaal
We hebben op uitnodiging van de Kamercommissie Justitie geadviseerd over het voorstel van interpretatieve wet bij artikel 11 van de Taalwet (56-0048). Dat voorstel wil duidelijkheid scheppen over de taal waarin processen-verbaal moeten worden opgesteld voor feiten gepleegd in de gemeenten van de Brusselse agglomeratie.
Artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalt dat processen-verbaal worden opgesteld in de taal die de vervolgde voor zijn verklaringen gebruikt of, bij gebrek daaraan, volgens de noodwendigheden van de zaak. In de praktijk wordt die laatste formulering vaak zo geïnterpreteerd dat het belang of de voorkeur van de verbalisant doorslaggevend is.
We kunnen ons vinden in een alternatieve interpretatie waarbij voor personen buiten de hoofdstad wordt aangeknoopt bij de woonplaats, en voor inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij de inschrijving bij de DIV, die dan als verklaring geldt. Dat sluit aan bij de geest van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 27 november 2025 (nr. 156/2025).
In het verlengde hiervan vragen we ons of een grondigere herziening van de Taalwet niet ook aangewezen is.