Deontologie-advies Advies 743
Een brief die bewust verzonden wordt door een advocaat naar een niet-cliënt heeft geen vertrouwelijk karakter. Het feit dat een niet-vertrouwelijke brief per vergissing wordt verstuurd naar de advocaat van de tegenpartij, maakt die brief immers niet vertrouwelijk. Het komt de advocaat van de tegenpartij toe zelf te oordelen of hij het gebruik van dit stuk kan verantwoorden binnen de context van het aannemen en behandelen van een rechtvaardige zaak.
Auteur
Merve Köse
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
U vraagt mijn standpunt aangaande het gebruik van een e-mail die een raadsman wilde versturen naar zijn cliënt en de kinderen van zijn cliënt in het kader van een geschillenregeling met als tegenpartij de ex-echtgenoot.
Hoewel de advocaat de intentie had om de e-mail naar de kinderen te sturen, werd de e-mail evenwel per vergissing naar een medewerkster van de raadsman van de tegenpartij verstuurd.
U vraagt of die bewuste e-mail onder het beroepsgeheim valt en bijgevolg niet als stuk mag worden aangewend in de procedure.
Ik verleen u volgend advies.
Advies
Artikel 113 van de Codex Deontologie voor Advocaten bepaalt dat de briefwisseling tussen advocaten vertrouwelijk is. Zelfs indien de advocaten het eens zijn, mag zij enkel overgelegd worden met de toestemming van de stafhouder. Dat geldt zowel voor het gebruik in rechte als erbuiten.
Aangezien het vaststaat dat de advocaat er bewust voor gekozen heeft om de e-mail mede te richten aan een niet-cliënt, nl. de kinderen van de cliënt, kan in casu geen sprake zijn van een stuk dat correspondentie uitmaakt tussen advocaten of correspondentie tussen een advocaat en zijn cliënt. Dat betekent dus dat de e-mail geen vertrouwelijk karakter heeft.
Het feit dat een niet-vertrouwelijke brief per vergissing wordt verstuurd naar de tegenpartij, maakt die brief immers niet vertrouwelijk. Bovendien werd de brief in strijd met artikel 102 van de Codex Deontologie voor Advocaten rechtstreeks gericht aan procespartijen, terwijl die werden bijgestaan door een eigen advocaat.
Anderzijds weerhoudt de confraterniteit een advocaat ervan om gebruik te maken van een materiële vergissing van een tegenstrever.
Dit betreft evenwel slechts een regel van hoffelijkheid onder confraters, die mij onvoldoende voorkomt als grondslag om een batonnale injunctie te verantwoorden tot wering van het bewuste stuk uit het dossier.
Het komt de advocaat toe zelf te oordelen of hij het gebruik van dit stuk kan verantwoorden binnen de context van het aannemen en behandelen van een rechtvaardige zaak (cfr. de eed die afgelegd werd).
Jan Meerts
Bestuurder deontologie, tucht en regulering