Deontologie-advies Advies 742
Overeenkomstig artikel 2 lid 1 Codex Deontologie voor Advocaten vereisen de verplichtingen die op de advocaat rusten, de absolute onafhankelijkheid van de advocaat, vrij van alle druk, in het bijzonder van de druk van eigen belangen of van beïnvloeding van buitenaf. Het voor zichzelf of voor de eigen vennootschap waarin de advocatenpraktijk is ondergebracht optreden, brengt ontegensprekelijk de onafhankelijkheid in het gedrang.
Auteur
Merve Köse
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
Advocaat A volgde advocaat B op. Het is tot een geschil gekomen inzake de erelonen van B, die een vordering lastens zijn gewezen cliënten stelde, en waarbij de rechtbank van eerste aanleg de vordering afwees. Advocaat B ging in hoger beroep en trad hierbij op als advocaat van zijn eigen vennootschap.
Het hof hervormde het eerste vonnis en veroordeelde de cliënten van advocaat A in betaling van de erelonen. Aan die bv Advocatenkantoor B, die vertegenwoordigd werd door advocaat B zelf, werd een dubbele rechtsplegingsvergoeding (eerste aanleg en hoger beroep) toegekend.
Het hof sprak zich niet uit over deze deontologische kwestie, aangekaart door partijen in besluiten. Advocaat B stelt dat noch hijzelf noch iemand van het kantoor de zaak zelf heeft bepleit, doch wel een confrater, te weten advocaat C.
Uit de procedurestukken blijkt volgens advocaat A afdoende het tegenovergestelde. Volgens advocaat A pleitte advocaat C niet als raadsman van, maar wel loco advocaat B als raadsman van zijn eigen vennootschap, zoals mag blijken uit het arrest van het hof van beroep.
De cliënten van advocaat A gingen in navolging van het arrest over tot betaling van de verschuldigde erelonen, met uitzondering van de twee toegekende rechtsplegingsvergoedingen. Advocaat B voerde evenwel verder uit. Onder het nodige voorbehoud werden de beide rechtsplegingsvergoedingen dan ook door de cliënten van advocaat A betaald.
Stafhouder X en advocaat A stellen zich de vraag of advocaat B in deze wel als raadsman kon optreden en of de cliënten in deze kunnen gehouden zijn tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding voor een advocaat, die voor zichzelf of diens vennootschap optrad.
Ik verleen u volgend advies.
Advies
Overeenkomstig artikel 2 lid 1 Codex Deontologie voor Advocaten vereisen de verplichtingen die op de advocaat rusten, de absolute onafhankelijkheid van de advocaat, vrij van alle druk, in het bijzonder van de druk van eigen belangen of van beïnvloeding van buitenaf. Artikel 3 Codex Deontologie voor Advocaten verbiedt hem op te treden in zaken van of tegen naaste familieleden of voor personen die met hem samenwonen of nauw verbonden zijn met die samenwonenden.
Het voor zichzelf of voor de eigen vennootschap waarin de advocatenpraktijk is ondergebracht optreden, brengt ontegensprekelijk de onafhankelijkheid in het gedrang.
Algemeen wordt in België aangenomen dat de advocaat zichzelf ervan zal onthouden zijn persoonlijke, directe of indirecte belangen in burgerlijke, disciplinaire en strafzaken te verdedigen. Deze regel druist in tegen artikel 6.3 EVRM vermeld, doch ook met de bepaling van artikel 440 Ger. W. De onafhankelijkheid van de advocatuur tegenover de belangen die hem zijn toevertrouwd vormen één van de grondslagen van de plichtenleer van de balie en van het aanzien dat de balie geniet. Zowel door reglementen van plichtenleer als wegens eerbiediging van vastgelegde gebruiken mogen de gezagsorganen aan de advocaten, zelfs buiten de uitoefening van hun beroep, bijzondere plichten opleggen die niet aan de gewone burger als zodanig ten laste vallen. De auteurs geven op een algemene wijze de aanbeveling aan de advocaat om zich te onthouden van te pleiten in zijn zaak. (cfr. advies 431).
Hoewel conform artikel 6.3 EVRM iedereen het recht heeft zichzelf te verdedigen, is het een deontologisch principe dat een advocaat er zich van onthoudt zijn persoonlijke, directe of indirecte belangen in burgerlijke, disciplinaire en strafzaken te verdedigen, ook wanneer hij niet in toga verschijnt. Deze deontologische regel is ingegeven door de onafhankelijkheid – dat een magistraat er nooit eerder een probleem van heeft gemaakt dat de advocaat zichzelf verdedigt (artikel 758 Ger. W.), staat los van de bevoegdheid van de stafhouder om een advocaat te verbieden in een bepaalde zaak te pleiten, op grond dat deze daardoor de beginselen van waardigheid en kiesheid van zijn beroep in het gedrang zou brengen (cfr. advies 460)
Ik deel u overigens mee dat de tuchtraad van Antwerpen de inbreuk bewezen heeft verklaard en een confrater een berisping heeft gegeven, nu deze in strijd met de injunctie van de stafhouder, voor zichzelf is blijven optreden bij de invordering van een ereloon.
Voor zo ver de thans geschetste problematiek was aangekaart voorafgaand aan de behandeling in eerste aanleg en al zeker voorafgaand aan de behandeling in graad van beroep, had u als stafhouder aan advocaat B de verplichting kunnen opleggen de belangen van zijn kantoor te laten behartigen door een ander advocaat.
Stafhouder Y vraagt rekening te houden met het feit dat de zaak gepleit werd door advocaat C, die geen kantoorgenoot is van advocaat B.
Uit de kopie van het arrest van 7 april 2022 en uit de conclusies blijkt dat advocaat B als dominus litis werd opgegeven en vermeld, wat impliceert dat advocaat C die bv Advocatenkantoor B vertegenwoordigde ter zitting van 10 maart 2022, gezegd heeft dat zij verscheen loco advocaat B.
Met betrekking tot de vraag of de gewezen cliënten van advocaat B kunnen gehouden zijn tot betaling van (een) rechtsplegingsvergoeding(en), moeten we enerzijds vaststellen dat er een definitief arrest van het Hof van Beroep voorligt waarbij ze daadwerkelijk werden veroordeeld tot betaling.
Het aanklagen van het optreden van advocaat B voor zijn eigen vennootschap en de vraag om advies kent dan ook een ongelukkige timing. Een vroegere injunctie en het optreden door een onafhankelijk raadsman zou ook met zich hebben gebracht dat de rechtsplegingsvergoedingen wel zouden kunnen zijn toegekend (de zaak werd immers gewonnen), zodat de financiële gevolgen voor de cliënten van advocaat A dan niet anders waren geweest.
Evenwel, ook al ligt er een definitief arrest voor, dit neemt niet weg dat het een titel geeft aan een advocatenkantoor (en dus niet aan een externe partij aan wie geen injunctie kan opgelegd worden).Het komt mij derhalve voor dat stafhouder Y ook nu nog steeds aan advocaat B kan opleggen dat hij een inbreuk heeft begaan op de kernwaarde van de onafhankelijkheid, zodat het hem dienovereenkomstig niet toekomt de door het hof van beroep toegekende rechtsplegingsvergoeding in te vorderen
Jan Meerts
Bestuurder deontologie, tucht en regulering