Ga verder naar de inhoud

Deontologie-advies Advies 778

Krachtens art. 11 CDA moet een advocaat bij het uitoefenen van een nevenactiviteit zijn onafhankelijkheid, beroepsgeheim en integriteit vrijwaren en elk belangenconflict vermijden (zodat het vertrouwen in de advocatuur niet wordt geschaad).

Voorts laat art. 11bis CDA het optreden als arbiter uitdrukkelijk toe als verenigbaar met het beroep van advocaat en verbiedt art. 11quater CDA dat een advocaat optreedt als raadsman in geschillen die zijn andere activiteit betreffen, behoudens toegelaten uitzonderingen en onverminderd art. 11 CDA, terwijl art. 437, 4° Ger.W. deze kernwaarden van onafhankelijkheid en waardigheid eveneens wettelijk verankert.

In casu wordt geen schending van deze deontologische normen vastgesteld.

Auteur

Erica Caluwaerts

Jurist deontologie
Erica Caluwaerts 02

Auteur

Dominique Dombret

Coördinator deontologie en tucht
Dominique Dombret 02

Deel dit artikel

Vraag

Stafhouder X legt de problematiek voor waarbij een confrater optreedt voor een bepaalde geschillencommissie als raadsman van een partij, daar waar deze confrater ook deel uitmaakt van de voormelde commissie en zetelt als voorzitter van deze commissie.

Deze situatie werd aangekaart door een lid van zijn balie die een cliënt verdedigde voor die geschillencommissie en waarbij de tegenpartij als raadsman een advocaat had, die tevens deel uitmaakte van de lijst van voorzitters van deze geschillencommissie.

Volgens de klagende advocaat is het hierdoor onmogelijk voor de geschillencommissie om op onpartijdige wijze te oordelen, en is het recht op een eerlijk proces (art.6 EVRM) geschonden.

Stafhouder X brengt artikel 11quater van de Codex Deontologie voor Advocaten (CDA) in herinnering, dat bepaalt dat een advocaat niet als advocaat in rechte mag optreden in geschillen met betrekking tot zijn andere activiteiten, behalve in de gevallen die toegelaten zijn volgens de CDA of in de gevallen die de stafhouder uitdrukkelijk en schriftelijk toestaat, en in ieder geval onverminderd artikel 11 CDA.

Stafhouder Y stelt hier tegenover dat art. 11 CDA uitdrukkelijk bepaalt dat een advocaat die een andere activiteit uitoefent, erop moet toezien dat die activiteit zijn onafhankelijkheid en het beroepsgeheim niet schendt en dat hij ieder belangenconflict vermijdt. Deze activiteit mag in geen geval het publieke vertrouwen in de advocatuur in het gedrang brengen.

Ook hij verwijst naar de bepalingen van artikel 11quater CDA en merkt hierbij volledigheidshalve op dat het optreden van een advocaat als arbiter een activiteit is, die conform artikel 11bis CDA uitdrukkelijk toegelaten is als verenigbaar met het beroep van advocaat, zonder de verplichting om de stafhouder hierover te informeren.

Bijkomend haalt stafhouder Y aan dat de betrokken advocaat niet dé voorzitter van de commissie op zich is, maar één van de mogelijke zes voorzitters in een arbitraal college, dat telkens bestaat uit een voorzitter en verder twee dan wel vier bijzitters.

In casu vertegenwoordigde de betrokken advocaat zijn cliënte voor een arbitraal college, vanzelfsprekend voorgezeten door een andere voorzitter dan hemzelf en zijn cliënte betrof niet de geschillencommissie zelf.

Bovendien haalt stafhouder Y aan dat samenstelling van het college voldoende waarborgen lijkt te bieden voor een onafhankelijke behandeling van een geschil waarbij een partij vertegenwoordigd wordt door een advocaat die eveneens arbiter/voorzitter zou zijn van een ander college.

Stafhouder Y besluit dat de artikelen 11 CDA en 11quater CDA in casu niet geschonden zijn.

Advies

Deze kwestie raakt aan de essentiële kernwaarden en plichten van de beroepsuitoefening van een advocaat.

Overeenkomstig de eerder aangehaalde artikelen van de Codex Deontologie voor Advocaten dient men bij de beoordeling van onverenigbaarheden nauwgezet de onafhankelijkheid, het beroepsgeheim, mogelijke belangenconflicten en het algemeen vertrouwen in de advocatuur in ogenschouw te nemen.

Bij de het uitoefenen van bepaalde activiteiten zoals bepaald in art. 11bis CDA dient daarenboven rekening gehouden te worden met de plicht tot waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid van de advocaat.

Ook artikel 437, 4° Ger.W. benadrukt deze waarden:

Het beroep van advocaat is onverenigbaar met alle bezoldigde betrekkingen of werkzaamheden, openbare of particuliere, tenzij ze noch de onafhankelijkheid, noch de waardigheid van de balie in gevaar brengen.

In voorgelegde zaak is art. 11bis, derde lid CDA van toepassing.

Het staat niet ter discussie dat de geschillencommissie in kwestie een arbitraal college is, dat sinds 2015 erkend is als gekwalificeerde entiteit voor buitengerechtelijke geschillenregeling door de FOD Economie overeenkomstig Boek XVI van het Wetboek Economisch Recht.

Het gegeven dat conform art. 11bis, derde lid CDA voor de uitoefening van de daarin gestelde activiteiten geen verplichting geldt om voorafgaandelijk de stafhouder te informeren over de uitoefening van die activiteiten, wilt niet noodzakelijk zeggen dat de in dit derde lid opgesomde activiteiten verenigbaar zijn met het beroep van advocaat. Stafhouder Edgar BOYDENS stelde uitdrukkelijk dat het reglement verwijst naar de verantwoordelijkheid van de advocaat en de plicht om toe te zien dat de bijkomende activiteit de onafhankelijkheid en het beroepsgeheim van de advocaat niet aantast en dat hij ieder belangenconflict vermijdt.

Men dient dus ook in dit geval na te gaan of een advocaat, die optreedt als raadsman van een partij voor een geschillencommissie waarin hijzelf in andere zaken als arbiter zetelt, dit kan doen met respect voor de kernwaarden van zijn beroep.

Wat de onafhankelijkheid van de advocaat betreft, dient deze beoordeeld te worden in twee onderscheiden dimensies:

- de eerste dimensie is van organisatorische en structurele aard: de advocaat moet kunnen optreden zonder enige inmenging of beïnvloeding van de andere actoren van de rechtsbedeling.

Er worden in deze zaak geen elementen aangehaald die erop wijzen dat de betrokken advocaat zich op welke wijze dan ook zou laten beïnvloeden of druk zou ervaren uitgaande van de andere actoren van rechtsbedeling.

Het is hierbij wel aangewezen dat de betrokken advocaat blijft waken over de afstand t.o.v. de geschillencommissie waarin hij sporadisch zetelt en de afscheiding van deze activiteit met zijn werkzaamheden als advocaat.

- de tweede dimensie betreft eerder de wijze waarop de advocaat zijn beroep zelf uitoefent, het zich niet laten beïnvloeden bij de uitoefening van zijn beroep door andere belangen dan het belang van de cliënt.

Er worden geen elementen aangehaald die er op wijzen dat de advocaat zich door andere belangen dan de belangen van de cliënt zou hebben laten beïnvloeden bij het behartigen van de zaak.

Wat de tegenstrijdigheid van belangen betreft kan de advocaat niet optreden wanneer hij reeds eerder tussengekomen is als o.a. arbiter in zaken waarin de tegenpartij betrokken was, waardoor hij over precieze gegevens geschikt omtrent die tegenpartij, die in een gelegenheid waarin hij gevraagd wordt tegen die tegenpartij op te treden, zouden kunnen worden gebruikt.

Wat dit aspect betreft zijn er geen bezorgdheden of opmerkingen aangebracht.

De advocaat mag door het feit dat hij tevens een andere activiteit uitoefent of functie bekleedt, geenszins het vertrouwen in advocatuur schaden.

Dit raakt aan de objectieve onpartijdigheid van de advocaat. Deze komt evenwel niet in het gedrang door het loutere feit dat een advocaat deel uitmaakt van een geschillen beslechtende instantie.

De vraag of er bij een van de procespartijen een gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestaat, dient immers steeds in concreto te worden beoordeeld, rekening houdend met alle elementen eigen aan het dossier en met de overige procedurele waarborgen.

Hierbij is het tevens nodig na te gaan of er sprake kan zijn van schijnbare belangenverstrengeling.

Dit zou zich kunnen voordoen als de betrokken advocaat in die mate geïncorporeerd is in de geschillen beslechtende instantie dat hij ermee vereenzelvigd wordt en dat zijn activiteiten als advocaat er niet meer onafhankelijk van gezien kunnen worden.

De vraag stelt zich dan ook hoe frequent er beroep gedaan wordt op de betrokken advocaat om als voorzitter te zetelen in deze geschillencommissie en hoeveel dossiers de betrokken geschillencommissie gemiddeld behandelt.

Uit openbare bron blijkt dat in 2024 in het totaal 47 dossiers werden behandeld, in 2023 waren dat 49 dossiers. Dit geeft aan dat de betrokkenheid van de advocaat bij de werking van de geschillencommissie niet van die aard is dat er op zeer regelmatige en structurele basis samenwerking bestaat tussen de verschillende voorzitters en andere actoren.

Aangezien de geschillencommissie daarenboven over een uitgebreide lijst van mogelijke voorzitters (allen advocaten) beschikt, dient de impact van deze activiteit in het licht van de advocatenpraktijk van de betrokken advocaat als relatief beperkt beschouwd te worden.

Het gevaar op belangenverstrengeling dat zou kunnen leiden tot het beschamen van het publiek vertrouwen in de advocatuur is daarom niet aan de orde.

Er ligt evenmin enig bewijs voor dat de advocaat, die hier als raadsman optreedt, enige druk of beïnvloeding zou kunnen uitoefenen op de geschillencommissie die het dossier van zijn cliënt heeft behandeld.

Ik kan in deze zaak besluiten dat noch de artikelen uit de Codex Deontologie voor Advocaten, noch het Gerechtelijk Wetboek verbieden dat een advocaat zou kunnen optreden als raadsman voor een partij voor een geschillencommissie of rechtbank waarin hij, in andere zaken, zetelt als rechter of arbiter.

In voorliggende zaak worden geen elementen aangehaald dewelke erop zouden wijzen dat de onafhankelijkheid van de advocaat in het gedrang kwam, dat hij zijn beroepsgeheim zou geschonden hebben of dat er sprake zou zijn van een belangenconflict.

Er kan hem ook geen enkele inbreuk op de integriteitswaarden worden verweten.

De wijze waarop de geschillencommissie is samengesteld en de enigszins uitgebreide lijst van aan te duiden voorzitters van dit arbitraal college, geven geen aanleiding om te vrezen dat voor het publiek het vertrouwen in de advocatuur geschonden zou kunnen worden wanneer een advocaat, lid van dit arbitraal college, optreedt als raadsman in een andere zaak voor dit college.

De stellingname van stafhouder Y kan dus worden bijgetreden.

Jan Meerts

Bestuurder deontologie, tucht en regulering

Ook interessant

Gerelateerd nieuws

Deze berichten verschenen recent:
Tucht

Zesde verslag College van Toezicht beschikbaar

Het College van Toezicht van de Vlaamse advocatuur heeft zijn zesde verslag gepubliceerd. Dat geeft een overzicht van de tuchtprocedures tegen Nederlandstalige advocaten in het gerechtelijk jaar dat loopt van 1 september 2024 tot 31 augustus 2025.

Meer lezen
Deontologie Stage

Nieuwe regels voor de stage vanaf 1 september 2026

Onze algemene vergadering keurde op 24 juni 2026 een grondige herziening goed van Hoofdstuk 1 van Deel II van de Codex Deontologie voor Advocaten (stage). Lees wat er wijzigt.

Meer lezen
Deontologie

Deontologische gedragslijnen voor onderzoekshandelingen door advocaten

Advocaten moeten hun deontologie en de toepasselijke wetsbepalingen naleven wanneer ze als onderdeel van hun beroepsactiviteiten onderzoekshandelingen uitvoeren. Lees onze deontologische gedragslijnen.

Meer lezen
Deontologie

OVB herziet essentiële plichten van de advocaat

Op 27 mei 2026 keurde de algemene vergadering van de OVB het reglement goed over de herziening van deel I van de Codex Deontologie voor Advocaten. Dat deel bevat de essentiële plichten van de advocaat. De herziening maakt deel uit van een bredere evaluatie waarbij de bepalingen werden getoetst aan hun actualiteitswaarde, duidelijkheid en evenredigheid.

Meer lezen
Tucht

Sterke opkomst en actuele thema’s op zesde editie Seminarie Tucht

Op donderdag 21 mei 2026 vond in Antwerpen de zesde editie van het Seminarie Tucht plaats. Het seminarie bracht opnieuw een groot aantal actoren uit de tuchtprocedure samen, waaronder stafhouders, leden van de tuchtraden en ondersteunende medewerkers.

Meer lezen
Deontologie

Algemene vergadering keurt vernieuwd werkingsreglement goed

Op 25 februari 2026 heeft onze algemene vergadering een volledig herwerkt werkingsreglement goedgekeurd.

Meer lezen
Deontologie

Limburgse advocate weggelaten wegens helpen in restaurant: hoe zit dat eigenlijk?

Er is opschudding ontstaan over de beslissing tot weglating van de Limburgse advocate die meewerkt in het restaurant van haar man. Er is gebleken dat er nogal wat verwarring daarrond bestaat, en ook kritiek op de beslissing.

Meer lezen
Tucht

Stel u kandidaat voor het College van Toezicht

Heeft u interesse in de deontologie en het tuchtrecht van de advocatuur? Stel u dan kandidaat om deel uit te maken van het College van Toezicht.

Meer lezen
Deontologie Opleidingsinstituut

Voortaan jaarlijks twee verplichte vormingspunten: één in deontologie, één in witwaspreventie

Sinds 2 oktober 2025 geldt een nieuwe verplichting voor elke advocaat: jaarlijks minstens één vormingspunt behalen in deontologie én één in witwaspreventie.

Meer lezen