Deontologie-advies Advies 741
Overeenkomstig art. 117 Codex Deontologie voor Advocaten wijzigt het recht de briefwisseling over te leggen niets aan het bestaan en de draagwijdte van de ingeroepen overeenkomsten. De stafhouder spreekt zich enkel uit over het karakter van een brief (vertrouwelijk of officieel), maar niet over de draagwijdte van de inhoud ervan of over het mandaat dat een advocaat al dan niet had om officieel te schrijven.
Dit geldt ook voor de uitzondering van art. 114 §1 Codex Deontologie voor Advocaten. Een brief van berusting is een officiële brief, ook al zou niet uitdrukkelijk worden vermeld dat de brief officieel is. De beschikkingen van dit artikel gelden enkel voor die mededelingen die niets anders behelzen dan wat als uitzondering in art. 114 Codex Deontologie voor Advocaten vermeld is (zie art. 114 CDA in fine).
Auteur
Merve Köse
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
In het boek van Advocatuur van Jo Stevens staat onder punt 1193 pagina 920 in de editie van 2015 dat wanneer een advocaat een akte van rechtspleging of een proceshandeling stelt en dat doet door middel van een mededeling aan zijn tegenstrever, deze brief uit zijn aard officieel is. Vervolgens vermeldt men dat volgens een mededeling van de Nationale Orde, zijnde 1/87,3, het onder meer gaat over een brief van berusting in een vonnis.
Anderzijds deed Cassatie in 2016 een uitspraak en stelde:
“De berusting van een partij in een rechterlijke beslissing kan niet afgeleid worden uit briefwisseling van de advocaat van de partij, wanneer deze aan haar advocaat geen bijzondere volmacht heeft gegeven om in die beslissing te berusten. Bijgevolg kon het hof van beroep de berusting niet afleiden uit de voormelde brief van de advocaat zonder na te gaan of de advocaat over een bijzondere volmacht beschikt.”
Dit standpunt lijkt dus in te gaan tegen de mededeling van de Nationale Orde.
Ik verleen u volgend advies.
Advies
Er is geen tegenstrijdigheid.
Overeenkomstig art. 117 Codex Deontologie voor Advocaten wijzigt het recht de briefwisseling over te leggen niets aan het bestaan en de draagwijdte van de ingeroepen overeenkomsten. De stafhouder spreekt zich enkel uit over het karakter van een brief (vertrouwelijk of officieel), maar niet over de draagwijdte van de inhoud ervan of over het mandaat dat een advocaat al dan niet had om officieel te schrijven.
Dit geldt ook voor de uitzondering van art. 114 §1 Codex Deontologie voor Advocaten. Een brief van berusting is een officiële brief, ook al zou niet uitdrukkelijk worden vermeld dat de brief officieel is. Let wel, de beschikkingen van dit artikel gelden enkel voor die mededelingen die niets anders behelzen dan wat als uitzondering in art. 114 Codex Deontologie voor Advocaten vermeld is (zie art. 114 CDA in fine). Ik ken de bewuste brief niet en kan dus niet oordelen of hij meer bevat, wat met zich zou brengen dat het een brief wordt met gemengd karakter, die dan vertrouwelijk wordt.
Een ander probleem is het mandaat. Om namens de cliënt te berusten behoeft de raadsman inderdaad een bijzonder mandaat (zie de aanbevelingen bij art. 114 Codex Deontologie voor Advocaten in fine). Wanneer een advocaat officieel schrijft dat wordt berust en hij daartoe geen mandaat zou hebben, kan gebeurlijk een ontkentenis van proceshandeling volgen.
Het is om die reden dat sommige confraters van hun tegenstrever de voorlegging vragen van dit bijzonder mandaat, dan wel een akte van berusting eisen die door de cliënt zelf ondertekend wordt.
Jan Meerts
Bestuurder deontologie, tucht en regulering