Deontologie-advies Advies 762
De vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen advocaten bestaat niet om zichzelf, maar dient evident een doel. Ze maakt het mogelijk een geschil minnelijk op te lossen en zo rechtsgedingen te vermijden of te beëindigen.
Zonder enige twijfel staat het niet mogen aanwenden van vertrouwelijke correspondentie in een spanningsveld met het recht van verdediging en het daaruit voortvloeiende recht op bewijs (artikel 6.1 EVRM).
Alleen wanneer advocaten elkaar een brief schrijven als advocaat van een partij speelt het nagestreefde doel van algemeen belang en kan er sprake zijn van vertrouwelijkheid.
Auteur
Merve Köse
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
De problematiek is als volgt:
Een verzekeringsmaatschappij neemt naar aanleiding van een complex verkeersongeval, waarin de slachtoffers haar verzekerde aanspreken, de leiding van het geschil.
Het dossier geeft aanleiding tot meerdere procedures voor de rechtbank waarbij de verzekeraar steeds beroep doet op mr. X ter verdediging van de gezamenlijke belangen van de maatschappij en de verzekerde.
Na vele jaren van procedure volgt een andere advocaat mr. X op als raadsman van de verzekeraar. Deze laatste komt daarbij tot de conclusie dat mr. X steken zou hebben laten vallen in de behandeling van het dossier.
De verzekeraar gaat over tot dagvaarding van mr. X in beroepsaansprakelijkheid.
In deze beroepsaansprakelijkheidsprocedure legt mr. Y, die optreedt als raadsman van de verzekeraar, een aantal brieven over die mr. X destijds met haar tegenstrevers in de procedures over het verkeersongeval uitwisselde. Blijkbaar had mr. X een kopie van deze brieven aan haar opdrachtgever, de verzekeringsmaatschappij, overgemaakt.
Mr. Z, die optreedt voor mr. X in de beroepsaansprakelijkheidsprocedure, verzet zich tegen de neerlegging van deze brieven. Volgens mr. Z betreft het vertrouwelijke briefwisseling tussen advocaten.
De stafhouder van mr. Z meent dat de briefwisseling, behalve zes brieven die onder de uitzondering van artikel 114, §1 Codex Deontologie voor Advocaten vallen, inderdaad vertrouwelijk is en dat mr. Y ze dus niet mag overleggen.
De stafhouder van mr. Y is evenwel van mening dat mr. Y de brieven wel moet kunnen gebruiken. Dit niet toelaten zou de rechten van verdediging van de verzekeringsmaatschappij aantasten en bovendien moest mr. X er over waken deze brieven niet aan haar cliënte over te maken. Door ze toch over te maken, kwamen ze rechtmatig in het bezit van de verzekeraar en zou mr. X, noch de stafhouder het gebruik nog kunnen verbieden.
Ik verleen u volgend advies:
Advies
1. Algemeen – doel vertrouwelijkheid
De vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen advocaten bestaat niet om zichzelf, maar dient evident een doel. Ze maakt het mogelijk een geschil minnelijk op te lossen en zo rechtsgedingen te vermijden of te beëindigen.
Om dit doel te kunnen bereiken is het nodig dat partijen, via hun advocaten, bepaalde informatie met elkaar kunnen delen zonder te moeten vrezen dat men deze informatie later tegen hen zal gebruiken.
De vertrouwelijkheid zorgt er ook voor dat een advocaat, die ten aanzien van zijn cliënt een strikt beroepsgeheim heeft, vertrouwelijke informatie kan delen met zijn tegenstrever. Tussen de confraters ontstaat dan een gedeeld beroepsgeheim.
Zelfs wanneer de vertrouwelijkheid niet leidt tot een regeling van het geschil, bevordert ze op zijn minst de behoorlijke en loyale afhandeling ervan tussen partijen.
Het vermijden en beëindigen van geschillen en het bevorderen van een behoorlijke en loyale rechtsgang zijn ongetwijfeld doelstellingen van algemeen belang.
2. Vertrouwelijkheid in de Codex Deontologie voor Advocaten
De bepalingen van de Codex Deontologie voor Advocaten die de vertrouwelijkheid regelen, zijn vrij binair in hun opzet. Ofwel is een communicatie vertrouwelijk (de regel), ofwel is ze dat niet (de uitzondering). Voor een beetje of half vertrouwelijk is er geen plaats.
De analyse van stafhouder van mr. Z met name dat de brieven die niet onder de uitzonderingsregel van artikel 114, § 1 Codex Deontologie voor Advocaten vallen vertrouwelijke brieven zijn, klopt.
Ze zijn immers uitgewisseld tussen advocaten in hun hoedanigheid van advocaat en vallen niet onder één of meerdere uitzonderingen op de algemene regel van vertrouwelijkheid.
Omwille van de kwalificatie ‘vertrouwelijk’ mogen de brieven in toepassing van artikel 113 Codex DA, noch in noch buiten rechte, overgelegd worden.
De vraag rijst evenwel of dit gevolg van de regel even categorisch is als de regel zelf.
3. Recht van verdediging
Zonder enige twijfel staat het niet mogen aanwenden van vertrouwelijke correspondentie in een spanningsveld met het recht van verdediging en het daaruit voortvloeiende recht op bewijs (artikel 6.1 EVRM).
Een partij die het bewijs van betwiste feiten of rechtshandelingen aantreft in een vertrouwelijke brief kan daarvan immers geen gebruik maken. Deze partij kan daardoor mogelijk zijn (rechtmatige) aanspraken – gebaseerd op die feiten of rechtshandelingen – niet hard maken.
Deze beperking verantwoordt zich evenwel door het nagestreefde doel. Zonder de vertrouwelijkheid zou een partij nooit bezwarende zaken met een tegenpartij delen en zou deze partij dus zelfs nooit kennis hebben van hetgeen men alleen onder dekking van vertrouwelijkheid meedeelde.
Het is perfect evenredig een partij op absolute wijze te verbieden gebruik te maken van gegevens waarover zij zonder de garantie van dat verbod nooit zou beschikken.
Zoals het Hof van Cassatie terecht oordeelde, impliceert het recht van verdediging ook het recht op bijstand van een advocaat, hetgeen de vertrouwelijkheid van de briefwisseling met zich brengt. Daaruit volgt dat de vertrouwelijkheid van briefwisseling grenzen kan stellen aan het recht op bewijslevering (Cass. 26 oktober 2017, RABG 2018, 369; RW 2018-19, 185 en TGR-TWVR 2018, 340, noot).
Precies omdat de vertrouwelijkheid van correspondentie tussen advocaten deel uitmaakt van het recht van verdediging en dus met het recht op een eerlijk proces, dringt de vertrouwelijkheid zich niet alleen aan de advocaat op. Ook het gebruik van vertrouwelijke brieven door een niet-advocaat is onrechtmatig. De rechter zal dergelijk bewijs dus ook weren wanneer een partij zich daarvan bedient terwijl ze niet langer beroep doet op een advocaat (Antwerpen, 21 september 2020, RW 2022-23, 673, noot).
Het speelt daarbij geen rol dat die partij rechtmatig in het bezit kwam van de brief, bv. doordat zijn toenmalige raadsman hem zonder meer overmaakte.
Het is dan ook niet zo dat de brief zijn vertrouwelijk karakter verloor, doordat mr. X hem destijds aan haar cliënte overmaakte. Evenmin is het juist dat een stafhouder zijn bevoegdheid zou overschrijden door te oordelen dat een brief vertrouwelijk is wanneer een advocaat deze al aan zijn cliënt overmaakte.
4. Gebruik buiten de zaak waarin men de correspondentie voerde
Het is niet omdat twee advocaten elkaar een brief schrijven dat deze correspondentie een vertrouwelijk karakter bekomt.
Alleen wanneer zij dit doen als advocaat van een partij speelt het nagestreefde doel van algemeen belang en kan er sprake zijn van vertrouwelijkheid. Wanneer een advocaat derhalve een confrater aanschrijft zonder dat hij dat doet als advocaat van een cliënt (bv. na opvolging) dan speelt de vertrouwelijkheid niet.
De vertrouwelijkheid dient niet ter bescherming van de advocaat, maar wel ter bescherming van de cliënt van de advocaat.
Dit maakt dat het spanningsveld tussen het recht van verdediging en het recht op bewijs aan de ene kant en de vertrouwelijkheid aan de andere kant, anders ligt wanneer men correspondentie wil overleggen in een andere zaak dan deze waarin de correspondentie gevoerd werd.
Het conflict tussen het recht op bewijs en het recht op vertrouwelijkheid, beide aspecten van het recht op verdediging, verhouden zich anders wanneer men de vertrouwelijkheid van een communicatie inroept in een andere zaak dan deze waarin ze tot stand kwam.
Hoewel vertrouwelijkheid zeker ook geldt buiten de zaak waarin men communiceerde, kunnen de gevolgen van die vertrouwelijkheid nooit even absoluut zijn. Er kunnen zich situaties voordoen waar een absoluut verbod niet meer proportioneel is ten opzichte van het recht van verdediging van een andere partij. Wanneer dat het geval is, moet de vertrouwelijkheid (in zeker mate) wijken.
Zo aanvaardt men algemeen dat wanneer een advocaat zich verweert tegen een vordering in beroepsaansprakelijkheid, hij daarbij gebruik mag maken van vertrouwelijke briefwisseling (advies deontologie 467 en Bergen 14 mei 2009, JLMB 2010, 1423).
Ook wanneer een advocaat zich wil verweren tegen een betwisting van zijn ereloonstaat, neemt men aan dat hij zich daarbij mag bedienen van vertrouwelijke elementen zoals vertrouwelijke correspondentie (advies deontologie 69).
Evident kan dit niet alleen in één richting werken. Wanneer een advocaat zich van vertrouwelijke stukken mag bedienen om zich te verweren, dan moet een tegenpartij van die advocaat de mogelijkheid hebben hetzelfde te doen om de advocaat aan te spreken of om zijn ereloonstaat te betwisten (advies deontologie 227).
5. Strikte uitzondering – niet verder dan nodig
Belangrijk bij dit alles is voor ogen te houden dat diegene die in deze omstandigheden een vertrouwelijke brief in of buiten rechte mag overleggen geen vrijbrief krijgt. Het toegestane gebruik is en blijft een uitzondering op de principiële vertrouwelijkheid. Het gebruik is dan ook slechts toegestaan voor zover dit strikt noodzakelijk is voor de uitoefening van het eigen recht van verdediging en niet verder. Een nuttige illustratie van een disproportioneel gebruik komt aan bod in advies deontologie 36.
In dat verband is het belangrijk dat - los van de vertrouwelijkheid van de brieven - ook het beroepsgeheim van de betrokken advocaten blijft spelen. De brieven die de tegenstrevers van mr. X schreven, zullen mogelijk informatie bevatten die valt onder het beroepsgeheim van die confraters ten aanzien van hun cliënten. Ook dat moet in de weegschaal komen bij het nagaan van het al dan niet evenredig gebruik.
6. Conclusie
Mr. Y beroept zich op het recht van verdediging van zijn cliënte om vertrouwelijke briefwisseling tussen mr. X en haar tegenstrevers aan te wenden. Concreet wil hij op die manier de beroepsaansprakelijkheid van mr. X aantonen. De beoogde briefwisseling voerde mr. X als raadsman van de cliënte van mr. Y en heeft inderdaad betrekking op het dossier waarover de cliënte van mr. Y een aansprakelijkheidsvordering tegen mr. X instelde.
De gevoerde correspondentie staat ook in redelijk verband met de verwijten die de cliënte van mr. Y aan mr. X maakt en het lijkt er niet op dat de client van mr. Y de aansprakelijkheidsprocedure kunstmatig instelde met als doel de vertrouwelijkheid van de briefwisseling te omzeilen.
Op voorwaarde van het in acht nemen van de evenredigheidsvoorwaarde – hetgeen ik aan uw wijs oordeel overlaat – is het advies dan ook dat mr. Y deze kwestieuze briefwisseling in de aansprakelijkheidsprocedure mag wenden.
Nicolaas Vinckier
Bestuurder Studiedienst en Reglementering Advocatuur