Ga verder naar de inhoud

Deontologie-advies Advies 597

Omdat het BJB een orgaan is van een administratieve overheid (Orde van Advocaten) en niet van een tuchtrechtelijke overheid, zou de advocaat zich op zijn recht op beroepsgeheim kunnen beroepen wanneer hij van oordeel is dat hij bepaalde informatie niet kan meedelen.

Wanneer aan de vier vereisten van artikel 19 van de Codex is voldaan, mag de advocaat de noodzakelijke informatie meedelen aan het BJB.

Toepassing van de leer van het gedeeld beroepsgeheim in de relatie advocaat-BJB. Dit geldt voor de advocaten werkzaam binnen het BJB en de medewerkers.

Een schuldbemiddelaar kan zich niet op zijn beroepsgeheim beroepen voor het verlenen van bepaalde informatie bij de aanstelling van een raadsman voor een andere procedure dan de collectieve schuldenregeling. Deze opheffing van het beroepsgeheim van de schuldbemiddelaar geldt wel alleen indien het BJB bij hem de informatie opvraagt en niet wanneer de aan te stellen advocaat het vraagt.

Auteur

Dominique Dombret

Coördinator deontologie en tucht
Dominique Dombret

Auteur

Merve Köse

Jurist deontologie
Merve Köse

Deel dit artikel

Vraag

Graag verwijs ik naar uw brief van 15 september 2016 waarin u mijn advies vraagt betreffende twee vraagstukken inzake beroepsgeheim en juridische tweedelijnsbijstand:

1. Wat mag of moet een advocaat meedelen aan het bureau voor juridische bijstand (BJB) over de rechtzoekende waarvoor hij werd aangesteld? Schendt de advocaat zijn beroepsgeheim als hij informatie verstrekt betreffende de inkomsten, bestaansmiddelen, gezinssituatie, … van zijn cliënt? Schendt de advocaat een deontologische waarde of plicht als hij het niet doet?

2. Wat mag of moet de schuldbemiddelaar als gerechtelijk mandataris meedelen over de situatie van de rechtzoekende (gezinssamenstelling, financiële situatie,…) waarvoor hij werd aangesteld, wanneer deze laatste beroep wenst te doen op de juridische tweedelijnsbijstand voor een ander dossier of procedure? In de praktijk weigeren heel wat schuldbemiddelaars het BJB of de pro-Deoadvocaat deze informatie te bezorgen omwille van hun beroepsgeheim.

Advies

1.

1.1.

Vooreerst dient opgemerkt te worden dat het beroepsgeheim voor een advocaat zowel een plicht als een recht is.

De advocaat heeft het recht om zich te beroepen op zijn beroepsgeheim en aldus te weigeren bepaalde geheime informatie mee te delen aan administratieve of gerechtelijke overheden. Dit geldt evenwel niet altijd ten aanzien van zijn tuchtrechtelijke overheden (de stafhouder, raad van de Orde, voorzitter van de Tuchtraad) (J. STEVENS, Advocatuur. Regels & Deontologie, Mechelen, Kluwer, 2015, 675, nr. 924.).

Het BJB is een orgaan van de Orde van Advocaten, die wordt beschouwd als administratieve overheid. De lokale Ordes hebben met name een wettelijk statuut (artikelen 428 t.e.m. 455 Ger. W.), ze zijn belast met een openbare dienst, ze behoren niet tot de rechterlijke macht, ze kunnen bindende beslissingen nemen. (J. STEVENS, o.c., 160 en 242, nrs. 162 en 311.)

Omdat het BJB een orgaan is van een administratieve overheid en niet van een tuchtrechtelijke overheid, zou de advocaat zich op zijn recht op beroepsgeheim kunnen beroepen wanneer hij van oordeel is dat hij bepaalde informatie niet kan meedelen.

1.2.

Daarnaast heeft de advocaat een plicht tot beroepsgeheim.

Dat de advocaat drager is van het beroepsgeheim, behoeft geen verdere toelichting. Wel is het niet onbelangrijk te vermelden dat het moet gaan om vertrouwelijke informatie die hij vernomen of vastgesteld heeft in de uitvoering van zijn opdracht (artikel 18 van de Codex). Dit laatste betekent dat de advocaat kennis moet gekregen hebben van de informatie in het kader van zijn beroepsactiviteit -en in zijn hoedanigheid van advocaat. (J. STEVENS, o.c., 864, nr. 1134).

Mijns inziens kan artikel 19 van de Codex een antwoord bieden op de vraag of een advocaat bepaalde informatie mag meedelen aan het BJB:

“De advocaat mag enkel vertrouwelijke informatie aan de rechtbanken, scheidsgerechten en derden verstrekken voor zover:

- de vrijgave van die informatie relevant is, en

- de vrijgave van die informatie in het belang van de cliënt is, en

- de cliënt akkoord gaat met de vrijgave van de informatie, en

- de vrijgave van de informatie niet wettelijk verboden is.” 

Hierbij merk ik op dat enerzijds het BJB als ‘derde’ kan beschouwd worden en anderzijds de opsomming van artikel 19 van de Codex cumulatief is. Aan drie punten (1, 2 en4) is reeds voldaan:

1.) ‘De vrijgave van die informatie relevant is’: de advocaat moet slechts die informatie meedelen die noodzakelijk en aldus relevant is voor het BJB om de aanvraag tot juridische tweedelijnsbijstand te kunnen beoordelen. Andere vertrouwelijke informatie mag de advocaat niet verstrekken.

2.) ‘De vrijgave van die informatie in het belang van de cliënt is’: het meedelen van bepaalde informatie aan het BJB, laat deze laatste toe te onderzoeken of de cliënt in aanmerking komt voor juridische tweedelijnsbijstand. Het spreekt voor zich dat dit in het belang van de cliënt is. Opgemerkt dient te worden dat de vrijgave van de bedoelde informatie uitsluitend meegedeeld wordt aan het BJB en niet mag aangewend worden in de procedure ten gronde, tenzij hiervoor ook voldaan is aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 19 van de Codex.

4.) ‘De vrijgave van de informatie niet wettelijk verboden is’: in casu is de vrijgave van de informatie zelfs wettelijk verplicht. Ik verwijs hiervoor naar de artikelen 508/14 Ger. W. en 508/18 Ger. W.

Artikel 508/14, lid 1, 3 en 5 Ger. W.:

“De aanvraag tot gedeeltelijke of volledige kosteloosheid wordt mondeling of schriftelijk gedaan door de aanvrager of zijn advocaat wiens naam voorkomt op de lijst bedoeld in artikel 508/7.

(…)

Behalve in spoedeisende gevallen worden alle in artikel 508/13 bedoelde bewijsstukken bij de aanvraag gevoegd.

(…)

Het bureau oordeelt op stukken bij zijn beslissing over de aanvraag tot gedeeltelijke of volledige kosteloosheid. De aanvrager of, in voorkomend geval, zijn advocaat, wordt gehoord op zijn verzoek of indien het bureau dat nodig acht.” 

Artikel 508/18, lid 1 en 2 Ger. W.:

“Het bureau voor juridische bijstand kan, ambtshalve of op een met redenen omkleed verzoek van de advocaat, een einde stellen aan de juridische tweedelijnsbijstand indien het vaststelt dat de begunstigde niet voldeed of niet langer voldoet aan de voorwaarden bepaald bij artikel 508/13 of wanneer de begunstigde kennelijk geen medewerking verleent bij de verdediging van zijn belangen. Het bureau brengt de advocaat daarvan op de hoogte.

Het bureau voor juridische bijstand kan tevens een einde stellen aan de juridische tweedelijnsbijstand op een met redenen omkleed verzoek van de advocaat als deze meent dat zijn interventie geen enkele meerwaarde biedt. Het bureau brengt de advocaat daarvan op de hoogte.” 

Wat de derde voorwaarde van artikel 19 van de Codex (‘de cliënt akkoord gaat met de vrijgave van de informatie’) betreft, moet de advocaat toestemming vragen aan zijn cliënt om de gevraagde informatie over te maken aan het BJB. Het komt mij voor dat het de taak van de advocaat is om als verdediger van de belangen van zijn cliënt, deze laatste te overtuigen – indien de cliënt weigerachtig zou zijn - om hem toe te laten deze informatie mee te delen aan het BJB en aldus zijn beroepsgeheim opzij te zetten. Indien het BJB niet beschikt over de nodige bewijsstukken (omdat de cliënt zijn advocaat verbiedt het mee te delen en/of de cliënt het niet zelf overmaakt aan het BJB), kan het de aanvraag tot juridische tweedelijnsbijstand weigeren. Dit is niet in het belang van de cliënt. Artikel 508/14, lid 6 Ger. W. bepaalt:

“De aanvragen betreffende zaken die kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond lijken, worden geweigerd."

Wanneer aldus aan de vier vereisten van artikel 19 van de Codex is voldaan, mag de advocaat de noodzakelijke informatie meedelen aan het BJB.

Ik ben zelfs geneigd te stellen dat de partijdigheid als één van de kernwaarden van de advocatuur, de advocaat in dat geval (wanneer de vier voorwaarden van artikel 19 vervuld zijn) zelfs verplicht de nodige informatie te verstrekken aan het BJB. Zich beroepen op zijn recht op beroepsgeheim dient het belang van de cliënt mijns inziens niet.

Volledigheidshalve merk ik op dat het beginsel dat een advocaat als partijdige raadsman de belangen van zijn cliënt voorop moet stellen, verwoord wordt in artikel 4 van de Codex:

“Met inachtneming van de wettelijke regels en de beroeps- en gedragsregels is de advocaat steeds verplicht de belangen van de cliënt zo goed mogelijk te behartigen en die boven zijn eigen belangen of die van derden te stellen."

1.3.

Met betrekking tot uw eerste vraag dient tevens de vraag naar het gedeeld beroepsgeheim tussen de advocaten en medewerkers van het BJB, gesteld te worden.

Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 13 maart 2012 het gedeeld beroepsgeheim erkend:

“Hij die tot het beroepsgeheim is gehouden, overtreedt artikel 458 Strafwetboek niet indien hij onder het beroepsgeheim vallende informatie meedeelt aan anderen die optreden met eenzelfde doelstelling en ten aanzien van dezelfde opdrachtgever en die mededeling bovendien noodzakelijk en pertinent is voor de opdracht van de geheimhouder.” (Cass. 13 maart 2012, P.11.1750.N, http://jure.juridat.just.fgov....).

Het Hof legt aldus drie voorwaarden op voor het meedelen van informatie gedekt door het beroepsgeheim:

- aan anderen die optreden met eenzelfde doelstelling;

- ten aanzien van dezelfde opdrachtgever;

- de mededeling van de informatie moet noodzakelijk en pertinent zijn voor de opdracht van de geheimhouder.


Mijns inziens is aan deze drie cumulatieve voorwaarden voldaan:

1.) ‘Aan anderen die optreden met eenzelfde doelstelling’: het BJB heeft als doelstelling de rechtsbijstand te verlenen, de rechtszoekende en de advocaat deze te verkrijgen;

2.) ‘ten aanzien van dezelfde opdrachtgever’: het BJB oordeelt over de cliënt en de cliënt is de opdrachtgever van de advocaat;

3.) ‘de mededeling van de informatie moet noodzakelijk en pertinent zijn voor de opdracht van de geheimhouder’: enkel de gegevens nodig voor het bekomen van de rechtsbijstand worden gedeeld, waardoor deze gegevens noodzakelijk en pertinent zijn.

Aangezien de drie cumulatieve voorwaarden vervuld lijken, kan de leer van het gedeeld beroepsgeheim toegepast worden in de relatie advocaat-BJB. Dit geldt niet alleen voor de advocaten werkzaam binnen het BJB, maar ook voor de medewerkers.


1.4.

Tot slot moet mijns inziens ook verwezen worden naar de artikelen 508/19ter, §1 Ger. W. en 508/20, § 1 Ger. W.:

Artikel 508/19ter, § 1 Ger. W.:

“§ 1. De advocaat die vaststelt dat zijn optreden de begunstigde in staat heeft gesteld om geldsommen te ontvangen, waardoor hij een vergoeding kan betalen, stelt de begunstigde en het bureau voor juridische bijstand daarvan in kennis.

De geldsommen die in aanmerking kunnen worden genomen zijn deze die, mochten zij bestaan hebben op de dag van de aanvraag, de begunstigde niet hadden toegestaan te voldoen aan de voorwaarden om te genieten van juridische tweedelijnsbijstand.

Het bureau voor juridische bijstand houdt rekening met de verrichte prestaties en stelt het bedrag vast van de vergoeding die de advocaat inhoudt van of oplegt aan de begunstigde.”

Artikel 508/20, § 1 Ger. W.:

“Onverminderd strafrechtelijke sancties kan de vergoeding verleend voor de juridische tweedelijnsbijstand door de Schatkist van de bijgestane persoon worden teruggevorderd:

1° indien blijkt dat zich een wijziging heeft voorgedaan in zijn vermogen, inkomsten of lasten en hij derhalve in staat is te betalen;

2° wanneer de rechtzoekende voordeel heeft gehaald uit het optreden van de advocaat, zodanig dat, mocht dat voordeel hebben bestaan op de dag van de aanvraag, die bijstand hem niet zou zijn toegekend, voor zover die bedragen niet door de advocaat geïnd werden overeenkomstig artikel 508/19ter;

3° indien de bijstand is verleend op grond van valse verklaringen of door andere bedrieglijke middelen is verkregen.”

Uit artikel 508/20, § 1 Ger. W. blijkt dat het in het belang is van de cliënt dat hij zich niet blootstelt aan een terugvordering (met diverse kosten die erbij horen) en dat hij dus behoort kennis te geven van de gewijzigde toestand.

Een valse verklaring zou erin kunnen bestaan dat elementen die nodig zijn om te bepalen of men recht heeft op juridische bijstand worden onthouden aan het BJB, terwijl een advocaat niet mag meewerken aan het tot stand komen van een eventueel misdrij

2.

Wat de vraag betreffende de schuldbemiddelaar betreft, verwijs ik naar artikel 1675/18 Ger. W., dat luidt als volgt:

“Onverminderd de verplichtingen die hem door de wet worden opgelegd en behalve wanneer hij wordt opgeroepen om in rechte te getuigen, mag de schuldbemiddelaar geen feiten bekend maken waarvan hij kennis had uit hoofde van zijn functie. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem van toepassing.” 

De schuldbemiddelaar heeft als gerechtsmandataris aldus een eigen beroepsgeheim. Het gaat niet om het beroepsgeheim van de advocaat, maar om een bijzonder beroepsgeheim met een specifieke finaliteit voornamelijk gericht op de bescherming van de privacy van diegene die om schuldbemiddeling verzocht. (zie advies 75 van het departement deontologie)

2.1.

Volgens artikel 508/14, lid 1 en 5 Ger. W. moet de aanvraag tot gedeeltelijke of volledige kosteloosheid gedaan worden door de aanvrager of zijn advocaat die voorkomt op de zogenaamde BJB-lijst. Het BJB oordeelt op stukken bij zijn beslissing over deze aanvraag. De aanvrager of, in voorkomend geval, zijn advocaat, wordt gehoord op zijn verzoek of indien het BJB dat nodig acht.

Mijns inziens kan deze bepaling niet begrepen worden onder de zinsnede ‘onverminderd de verplichtingen die hem [de schuldbemiddelaar] door de wet worden opgelegd’ van artikel 1675/18 Ger. W. Het is immers niet de schuldbemiddelaar die een aanvraag doet voor de aanstelling van een pro-Deoadvocaat voor het voeren van een andere procedure dan de collectieve schuldenregeling.

2.2.

Artikel 1, § 3 van het koninklijk besluit van 18 december 2003 tot vaststelling van de voorwaarden van de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand daarentegen, maakt mogelijk de wettelijke grondslag uit voor de schuldbemiddelaar om – in samenlezing met artikel 1675/18 Ger. W. – bepaalde informatie waarvan hij kennis heeft in het kader van de collectieve schuldenregeling, te moeten meedelen aan het BJB. Artikel 1, § 3 van het KB bepaalt:

“§ 3. Het bureau voor juridische bijstand of naargelang het geval, het bureau voor rechtsbijstand of de rechter, kan hetzij aan de rechtzoekende hetzij aan derden, inclusief overheidsinstanties alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van de juridische tweedelijnsbijstand en rechtsbijstand vervuld zijn.”

Mijns inziens kan de schuldbemiddelaar beschouwd worden als derde in de zin van artikel 1, § 3 van het KB van 18 december 2003.

Ik besluit dan ook dat de schuldbemiddelaar zich niet op zijn beroepsgeheim kan beroepen voor het verlenen van bepaalde informatie bij de aanstelling van een raadsman voor een andere procedure dan de collectieve schuldenregeling. Deze opheffing van het beroepsgeheim van de schuldbemiddelaar geldt mijns inziens wel alleen indien het BJB bij hem de informatie opvraagt en niet wanneer de aan te stellen advocaat het vraagt.

2.3.

Volledigheidshalve wens ik u artikel 162 van de Codex in herinnering te brengen:

“De advocaat belast met een gerechtelijk mandaat blijft onderworpen aan de deontologie van de advocaat, tenzij de deontologische regel onverenigbaar is met dat mandaat.”


Jacques Van Malleghem

Bestuurder departement deontologie

Ook interessant

Advies 779

Meer lezen

Advies 767

Meer lezen

Gerelateerd nieuws

Deze berichten verschenen recent:
Deontologie

Algemene vergadering keurt vernieuwd werkingsreglement goed

Op 25 februari 2026 heeft onze algemene vergadering een volledig herwerkt werkingsreglement goedgekeurd.

Meer lezen
Deontologie

Limburgse advocate weggelaten wegens helpen in restaurant: hoe zit dat eigenlijk?

Er is opschudding ontstaan over de beslissing tot weglating van de Limburgse advocate die meewerkt in het restaurant van haar man. Er is gebleken dat er nogal wat verwarring daarrond bestaat, en ook kritiek op de beslissing.

Meer lezen
Tucht

Stel u kandidaat voor het College van Toezicht

Heeft u interesse in de deontologie en het tuchtrecht van de advocatuur? Stel u dan kandidaat om deel uit te maken van het College van Toezicht.

Meer lezen
Deontologie Opleidingsinstituut

Voortaan jaarlijks twee verplichte vormingspunten: één in deontologie, één in witwaspreventie

Sinds 2 oktober 2025 geldt een nieuwe verplichting voor elke advocaat: jaarlijks minstens één vormingspunt behalen in deontologie én één in witwaspreventie.

Meer lezen
Advocaten-stagiairs
Deontologie Beroepsopleiding

Beroepsopleiding advocaten-stagiairs herzien

Sinds 2 oktober 2025 gelden er belangrijke veranderingen in de beroepsopleiding van advocaten-stagiairs. Onze algemene vergadering keurde op 24 september een nieuw reglement goed dat verschillende artikelen van de Codex Deontologie voor Advocaten wijzigt. De aanpassingen betreffen de stage en de beroepsopleiding en zijn gericht op een werkbaardere en duidelijkere invulling van het traject voor stagiairs.

Meer lezen
Tuchtdatabank

Tuchtdatabank van advocatuur geactualiseerd

We hebben onze tuchtdatabank recent geactualiseerd. Wie zich wil informeren over de tuchtrechtspraak binnen de advocatuur, kan alle beslissingen van de tuchtraden online raadplegen op deze website.

Meer lezen
Advocaten
Deontologie Stage

De vernieuwde stageovereenkomst

Vanaf 10 oktober 2025 zal een gewijzigd artikel 31bis van de Codex Deontologie voor Advocaten gelden voor alle lopende en nieuwe stageovereenkomsten. De aangepaste regeling verduidelijkt de rechten en plichten van zowel stagiair als stagemeester, met extra aandacht voor thema’s zoals aansprakelijkheid, afwezigheden, wachtdiensten en de beëindiging van de stageovereenkomst. Raadpleeg ons vernieuwde model van de stageovereenkomst, aangepast aan de nieuwe regels.

Meer lezen
Deontologie

Deontologieadviezen geactualiseerd en online raadpleegbaar

De databank met deontologieadviezen op deze website werd recent geactualiseerd. Deze adviezen bieden een nuttige leidraad bij de toepassing van de Codex Deontologie voor Advocaten die altijd in concreto moet gebeuren.

Meer lezen
Tucht

Vijfde jaarverslag College van Toezicht beschikbaar

Het College van Toezicht van de Vlaamse advocatuur heeft zijn vierde verslag gepubliceerd. Dat geeft een overzicht van de tuchtprocedures tegen advocaten in Vlaanderen (inclusief Brussel-Nederlands) in het gerechtelijk jaar dat loopt van 1 september 2022 tot 31 augustus 2023.

Meer lezen