Deontologie-advies Advies 549
In de mate dat de kennis van de advocaat, die voor het innen van niet-betwiste erelonen, laat uitvoeren op een onverdeeld onroerend goed, ook door derden kan verworven en gebruikt worden, kan aan de invorderende advocaat geen schending van zijn beroepsgeheim verweten worden.
Auteur
Dominique Dombret
Auteur
Merve Köse
Vraag
U vraagt advies in een zaak waarin een advocaat, nadat een minnelijk akkoord werd ondertekend over het bedrag van de kosten en honoraria die aan voormelde advocaat zijn verschuldigd, tot uitvoering is overgegaan voor voormelde kosten en honoraria.
Tussen partijen is er discussie over het al dan niet onmiddellijk verschuldigd zijn van de kosten en honoraria van de advocaat.
De advocaat heeft voor het innen van de niet-betwiste kosten en honoraria beslag laten leggen op huurgelden die aan een post huwelijkse onverdeeldheid toekomen waarin de cliënt gerechtigd is.
Hiertegen zou bezwaar bij de beslagrechter zijn aangetekend. De beslagrechter zou dat bezwaar hebben afgewezen. Het vonnis van de beslagrechter, noch het accordandum liggen voor.
U verwijst naar artikel 5 van het reglement op de invordering en taxatie van erelonen, zoals opgenomen in de [lokale] codex voor advocaten:
“Wanneer de advocaat genoodzaakt is om tot uitvoerend beslag over te gaan, zal hij hierbij de nodige redelijkheid in acht nemen, evenals de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid.”
U stelt volgende vragen:
1.) Heeft de advocaat gebruik gemaakt van de kennis die hij heeft verworven naar aanleiding van de behandeling van de zaak?
2.) Indien de advocaat niet de raadsman was geweest, was hij dan in de mogelijkheid om dit uitvoerend beslag te leggen? Met andere woorden, had de advocaat op een andere wijze kunnen te weten komen of het litigieuze onroerend goed eigendom is van zijn cliënt? Mocht dit niet het geval zijn vraagt u of het kies is dat hij de kennis vanuit het dossier aanwendt voor eigen doeleinden.
3.) Kan aan de advocaat bevel gegeven worden om het beslag te lichten?
Tot slot stelt zich de problematiek van het doen optreden van een kantoorgenoot voor de eigen professionele vennootschap ter invordering van erelonen.
Advies
1.
Zoals elke advocaat belast met een uitvoering lastens een derde, kan ook een advocaat-schuldeiser (die niet optreedt in zijn hoedanigheid van advocaat) via een gerechtsdeurwaarder te weten komen of een schuldenaar eigenaar is van een of meerdere onroerende goederen.
Het komt mij dan ook voor dat de kennis van de advocaat die laat uitvoeren op een onverdeeld onroerend goed, niet uitsluitend kan verworven zijn door de behandeling van de zaak, maar dat een dergelijke kennis ook door derden op een rechtmatige wijze kan worden verworven.
In de mate dat de kennis die door de advocaat gebruikt wordt ook door derden kan verworven en gebruikt worden, kan aan de invorderende advocaat niets worden verweten.
U verwijst naar advies 311 van het departement deontologie en u stelt dat de advocaat in casu dit advies zou geschonden hebben door derdenbeslag te laten leggen in handen van de huurder.
Voor alle duidelijkheid herneem ik hier dit advies:
“De commissie is van oordeel dat de advocaat die beslag legt op gelden of andere vermogensbestanddelen van zijn ex-cliënt, zijn beroepsgeheim schendt wanneer hij de informatie over het bestaan of de vindplaats van deze vermogensbestanddelen alleen kan verkregen hebben via zijn beroepsuitoefening.” (eigen markering)
In de voorliggende zaak zijn de omstandigheden echter anders. Zoals hierboven gezegd, kan de advocaat zoals elke schuldeiser via een gerechtsdeurwaarder vernemen of zijn schuldenaar eigenaar is van een onroerend goed. Het criterium om van een schending van het beroepsgeheim te kunnen spreken, met name dat de advocaat uitsluitend via zijn beroepsuitoefening kennis heeft van bepaalde vermogensbestanddelen, is aldus in casu niet aan de orde.
Ik meen dan ook dat de betrokken advocaat geen schending van zijn beroepsgeheim kan verweten worden door het leggen van derdenbeslag in handen van de huurder van zijn cliënt.
2.
Blijft de vraag of de stafhouder bevel kan geven om het beslag te lichten.
In deze kan er mijns inziens naar analogie worden geredeneerd inzake de niet-mededeling van de opdracht tot betekening aan zijn tegenstrever.
Deontologische regels gelden tussen advocaten, maar kunnen de rechten en aanspraken van de te vertegenwoordigen partij in het geding (in casu de invorderende advocaat) niet wijzigen (Rb. Brugge 22 maart 2013, TGR 2013, 259.). Mijns inziens komt het niet aan de stafhouder toe zich uit te spreken over het al dan niet geven van handlichting van het derdenbeslag.
3.
Wat de problematiek van het doen optreden van een kantoorgenoot voor de eigen professionele vennootschap ter invordering van erelonen betreft.
U verwijst terecht naar artikel I.2.4.1 van de Codex:
“De advocaat die in een geschil de belangen verdedigt van een andere advocaat, mag geen deel uitmaken van de groepering of associatie waartoe de betrokken advocaat behoort, noch zijn medewerker of stagiair zijn of hebben meegewerkt in de zaak waarover het geschil loopt.”
Het komt mij voor dat artikel I.2.4.1 van de Codex geen ruimte meer laat om in eender welk geschil aparte deontologische regelen uit te werken.
Artikel 2 van het reglement op de invordering en taxatie van erelonen, zoals opgenomen in de [lokale] codex voor advocaten, komt mij op voormeld punt als onwettelijk voor. De raad van de Orde van … heeft geen bevoegdheid meer om in deze materie op een andere wijze te legifereren dan de Codex.