Deontologie-advies Advies 502
Een onderzoeksrechter mag een advocaat niet vragen zelf brieven of mails te komen overhandigen zonder dat de stafhouder of een door hem aangewezen lid van de raad van de Orde toezicht kan houden over de documenten en stuk voor stuk zijn commentaar hierover kan geven. De commentaar in verband met het beroepsgeheim moet genotuleerd worden door de onderzoeksrechter en in beginsel moeten de stukken vallend onder het beroepsgeheim onder gesloten omslag worden gestoken om rechterlijke instantie hierover afzonderlijk te laten beslissen.
Een ereloonnota valt in de regel onder het beroepsgeheim. Mailverkeer kent eenzelfde statuut als de briefwisseling. Wanneer cliënt en derden samen bestemmeling zouden zijn, dan is het niet uitgesloten dat dergelijke mails niet onder het beroepsgeheim vallen, maar mailverkeer van de advocaat naar de cliënt valt onder het beroepsgeheim evenals in beginsel het omgekeerde.
Auteur
Dominique Dombret
Auteur
Merve Köse
Vraag
Een stafhouder vraagt advies over een advocaat die optreedt voor een aantal individuen en die door een onderzoeksrechter te Eupen gehoord wordt als getuige.
De betrokken advocaat heeft – ondanks de voorafgaande opmerking van de stafhouder dat hij gebonden was en is door het beroepsgeheim – onder een bepaalde druk toch verklaringen afgelegd waarin hij onder meer mededeling doet van de manier waarop de cliënt bij hem is terecht gekomen, tevens aangeeft welk zijn honorarium was en of dit betaald werd en dergelijke meer.
Thans vraagt de onderzoeksrechter om zijn ereloonstaat, zijn mailverkeer en dergelijke. bij te brengen.
Advies
Het komt mij voor dat de onderzoeksrechter zeker bij de vraag om de ereloonstaat, mailverkeer, .. voor te leggen, te ver gaat.
Vooreerst behoort de onderzoeksrechter deze vragen schriftelijk over te maken aan de advocaat zodat de advocaat op een zeer precieze wijze kan onderzoeken wat de onderzoeksrechter verlangt.
Het staat de onderzoeksrechter ook vrij een huiszoeking te doen op het kantoor van de advocaat. In het arrest van 12 november 2012 stelt het Hof van Cassatie: “Het is een vaststaand gebruik dat de stafhouder of een door hem aangewezen lid van de raad van de Orde aanwezig is bij een huiszoeking in het kantoor van een advocaat. De stafhouder of diegene die door hem is aangewezen, moet erop toezien dat het onderzoek en de mogelijke inbeslagname geen betrekking heeft op stukken waarvoor het beroepsgeheim geldt. Hij zal de stukken, die de onderzoeksrechter wenst te onderzoeken of in beslag te nemen, inkijken en zijn oordeel geven over hetgeen al dan niet onder het beroepsgeheim valt. De onderzoeksrechter is niet gebonden door het standpunt van de stafhouder en beslist in laatste instantie of een document wordt in beslag genomen of niet.” (arrest P.12.0064.N).
Het is een onderzoeksrechter niet geoorloofd van voormeld vaststaand gebruik af te wijken door een advocaat uit te nodigen zelf brieven of mails te komen overhandigen zonder dat de stafhouder of een door hem aangewezen lid van de raad van de Orde toezicht kan houden over de documenten en stuk voor stuk zijn commentaar hierover kan geven. De commentaar in verband met het beroepsgeheim moet genotuleerd worden door de onderzoeksrechter en in beginsel moeten de stukken vallend onder het beroepsgeheim onder gesloten omslag worden gestoken om rechterlijke instantie hierover afzonderlijk te laten beslissen.
Of het arrest van het Hof van Cassatie in overeenstemming is met de rechtspraak van het EHRM is zeer de vraag.
Immers rechtsoverweging 37 van het arrest Niemietz stelt: «Quant à la "nécessité" de l’ingérence "dans une société démocratique", la Cour incline à penser que l’on peut trouver pertinentes, par rapport aux buts recherchés, les raisons invoquées par le tribunal cantonal de Munich (paragraphe 10 ci-dessus). Elle ne croit pourtant pas indispensable d’étudier la question plus avant car elle arrive à la conclusion, conforme à la thèse du requérant et à l’avis de la Commission, que la mesure litigieuse n’était pas proportionnée auxdits objectifs.
Certes, on ne saurait cataloguer comme mineure, sans plus, l’infraction à l’origine de la perquisition: elle constituait non seulement une insulte envers un juge, mais encore une tentative d’exercer sur lui des pressions. Cependant, le mandat était rédigé en termes larges: il ordonnait la recherche et la saisie de "documents", sans aucune limitation, révélant l’identité de l’auteur de la lettre offensante; ce point revêt une importance singulière lorsque, comme en Allemagne, la perquisition opérée au cabinet d’un avocat ne s’accompagne pas de garanties spéciales de procédure, telle la présence d’un observateur indépendant. Il y a plus: vu la nature des objets effectivement examinés, la fouille empiéta sur le secret professionnel à un degré qui se révèle disproportionné en l’occurrence; il convient de se rappeler à cet égard que dans le cas d’un avocat, pareille intrusion peut se répercuter sur la bonne administration de la justice et, partant, sur les droits garantis par l’article 6 (art. 6). De surcroît, la publicité qui entoura l’affaire doit avoir pu compromettre le renom du requérant, aux yeux de ses clients actuels comme du public en général. »
De onderzoeksrechter mag deze regel van art. 8 EVRM niet ongestraft schenden en dreigt hierdoor zijn hele onderzoek in het gedrang te brengen.
Anderzijds moet de advocaat weten dat nu hij ondervraagd werd door de onderzoeksrechter en hij hierop heeft geantwoord, hij niet meer voor de betrokken cliënten zal kunnen optreden.
Of de antwoorden die de advocaat gegeven heeft aan de onderzoeksrechter onder het strafrechtelijk sanctioneerbaar beroepsgeheim vallen is een vraag die in concreto moet worden beoordeeld.
Een ereloonnota, waarin in beginsel een beschrijving is terug te vinden van de prestaties van de advocaat en kort de inhoud van tussenkomst wordt beschreven, valt in de regel onder het beroepsgeheim. De onderzoeksrechter zou via een omweg de inhoud van een consult kunnen achterhalen, minstens te weten komen waarover een consult zou kunnen gegeven zijn.
Mailverkeer kent eenzelfde statuut als de briefwisseling. Wanneer cliënt en derden samen bestemmeling zouden zijn, dan is het niet uitgesloten dat dergelijke mails niet onder het beroepsgeheim vallen, maar mailverkeer van de advocaat naar de cliënt valt onder het beroepsgeheim evenals in beginsel het omgekeerde.
Alles moet dan ook in concreto worden onderzocht, maar de stafhouder omzeilen lijkt mij rechtstreeks in te druisen tegen de rechtspraak van het EHRM. Dat daarbij taalproblemen kunnen ontstaan mag de onderzoeksrechter niet weerhouden het EVRM en de vaststaande gebruiken (zie nog Ph. HALLET, « Le secret professionnel de l’avocat en Belgique », in Le secret professionnel de l’avocat dans la jurisprudence européenne, Larcier, 2010, p. 79 nr. 22) toe te passen.
Jacques Van Malleghem
Bestuurder departement deontologie