Deontologie-advies Advies 343
1. Een specifieke bepaling voor de situatie na verwijzing door het Hof van Cassatie is niet opgenomen in het reglement confraterniteit, maar de algemene regel van artikel 1 en de twee concrete toepassingen van artikel 2 en 11 laten er geen twijfel over bestaan dat een advocaat niet confraterneel handelde door zijn confrater eerst niet te verwittigen van de dagvaarding voor het hof van beroep en vervolgens ook niet meer te contacteren wanneer bleek dat de confrater voor het hof van beroep niet verscheen voor zijn cliënt en ook niet was opgevolgd door een andere advocaat.
2. De stafhouder kan een advocaat verplichten zich uit een zaak terug te trekken – grondslag: artikel 473 Ger. W. laat de stafhouder toe bewarende maatregelen te nemen wanneer het wegens de aan een advocaat ten laste gelegde feiten te vrezen is dat zijn latere beroepswerkzaamheid nadeel kan toebrengen aan derden of aan de eer van de Orde - het onttrekken van een advocaat aan een zaak is geen tuchtrechtelijke sanctie.
3. Een advocaat maakt in zijn brief aan het hof van beroep uitdrukkelijk gewag van het deontologische geschil met zijn confrater en van het feit dat hij klacht had ingediend bij de stafhouder - de onafhankelijkheid van de advocatuur brengt met zich mee dat deontologische en tuchtrechtelijke betwistingen autonoom door de advocatuur worden behandeld en niet door de magistratuur - alle contacten tussen een advocaat en zijn stafhouder met betrekking tot een deontologisch geschil zijn vertrouwelijk en vallen zij onder het beroepsgeheim.
Auteur
Dominique Dombret
Auteur
Merve Köse
Vraag
Mr. X van de balie van A en mr. Y van de balie van B zijn tegenstrevers in een procedure, die een normaal verloop kent voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, het hof van beroep te Antwerpen en vervolgens het Hof van Cassatie.
Het Hof van Cassatie vernietigt gedeeltelijk het arrest van het hof van beroep te Antwerpen en verzendt de zaak naar het hof van beroep te Gent.
Mr. Y maakt de zaak bij dagvaarding aanhangig voor het hof van beroep te Gent en laat na mr. X daarvan te verwittigen. Mr. X wordt blijkbaar ook door zijn cliënte niet op de hoogte gebracht, zodat hij aanvankelijk ook niet optreedt voor het hof van beroep te Gent. Het hof bepaalt conclusietermijnen en een pleitdatum en ook daarvan wordt mr. X niet op de hoogte gebracht door zijn cliënte noch door mr. Y, zodat een eerste conclusietermijn voorbijgaat, zonder dat mr. X een conclusie neerlegt.
Het is slechts op het ogenblik dat mr. Y haar conclusie rechtstreeks overmaakt aan de cliënte van mr. X, dat deze cliënte wakker schiet en de conclusie overmaakt aan mr. X, die op die wijze op de hoogte wordt gesteld van het feit dat de zaak reeds hangende is voor het hof van beroep te Gent.
Mr. X dient een klacht in tegen mr. Y omwille van het feit dat zij hem niet op de hoogte heeft gebracht van het feit dat de zaak opnieuw werd aanhangig gemaakt voor het hof van beroep te Gent. Mr. X vraagt ook dat mr. Y van de zaak zou worden onttrokken.
In de daaropvolgende briefwisseling met de stafhouders wordt blijkbaar overeengekomen dat beide raadslieden het hof zouden vragen om de zaak, die is vastgesteld op de zitting van …, te laten uitstellen, met bepaling van nieuwe conclusietermijnen. Ik neem aan dat dit ook is gebeurd.
In functie van dit toekomstig uitstel heeft mr. X op 26 februari 2009 een brief gericht aan de voorzitter van de … kamer van het hof van beroep te Gent, waarin hij de vraag tot uitstel aankondigt, maar waarin hij ook uitdrukkelijk verwijst enerzijds naar de inbreuk op de deontologische code door mr. Y en anderzijds naar het feit dat hiervoor klacht werd ingediend bij de stafhouder.
Mr. Y dient als gevolg hiervan op haar beurt een klacht in tegen mr. X.
Advies
Er zijn hier dus drie vragen aan de orde:
1 Pleegde mr. Y een deontologische inbreuk door mr. X niet op de hoogte te brengen van het feit dat zij de zaak opnieuw aanhangig maakte voor het hof van beroep te Gent?
2 Zo ja, is dit een reden om mr. Y te verplichten zich van de zaak te onttrekken?
3 Pleegde mr. X een deontologische inbreuk door in een brief aan het hof van beroep te Gent gewag te maken van de beweerde deontologische inbreuk van mr. Y en het feit dat daarvoor klacht werd neergelegd bij de stafhouder?
1.
Het hoeft weinig betoog dat mr. Y handelde in strijd met de regels van confraterniteit, toen zij de zaak na Cassatie opnieuw aanhangig maakte voor het hof van beroep te Gent, zonder haar tegenstrever daarvan te verwittigen.
Artikel 1, 2° van het reglement betreffende de aan procedures verbonden regels van confraterniteit bepaalt: “De advocaat behartigt de belangen van zijn cliënt met respect voor de rechten van verdediging. Hij eerbiedigt het tegensprekelijk karakter van procedures en misleidt niet.”
Deze algemene regel wordt in artikel 2 en artikel 11 van hetzelfde reglement nader toegepast op twee concrete gevallen. Artikel 2 bepaalt dat indien een procedure op tegenspraak volgt op voorafgaande contacten tussen advocaten, de advocaat zijn confrater moet inlichten dat een procedure wordt ingesteld en artikel 11 bepaalt dat de advocaat die een rechtsmiddel aanwendt, daarvan zo snel mogelijk en uiterlijk gelijktijdig kennis geeft aan de in de zaak betrokken advocaten.
Een specifieke bepaling voor de situatie na verwijzing door het Hof van Cassatie is niet opgenomen in het reglement, maar de algemene regel van artikel 1 en de twee concrete toepassingen van artikel 2 en artikel 11 laten er geen twijfel over bestaan dat mr. Y niet confraterneel handelde door mr. X eerst niet te verwittigen van de dagvaarding voor het hof van beroep te Gent en vervolgens ook niet meer te contacteren wanneer bleek dat mr. X voor het hof van beroep te Gent niet langer verscheen voor zijn cliënt en ook niet was opgevolgd door een andere advocaat. Mr. Y kon niet anders dan daaruit afleiden dat er iets was misgelopen in de communicatie tussen mr. X en zijn cliënte en diende, al was het maar om het tegensprekelijk karakter te herstellen en de rechten van verdediging van de tegenpartij te eerbiedigen, mr. X daarover te contacteren.
Op welke wijze verder gevolg moet worden gegeven aan de formele klacht van mr. X is een zaak van de stafhouder van mr. Y en gebeurlijk van de voorzitter van de tuchtraad.
2.
Algemeen wordt aangenomen dat de stafhouder de bevoegdheid heeft om een advocaat te verplichten zich uit een zaak terug te trekken. Deze bevoegdheid vindt zijn wettelijke grondslag in artikel 473 Ger. W. dat de stafhouder toelaat bewarende maatregelen te nemen wanneer het wegens de aan een advocaat ten laste gelegde feiten te vrezen is dat zijn latere beroepswerkzaamheid nadeel kan toebrengen aan derden of aan de eer van de Orde.
Voormelde inbreuk op de deontologische regels van mr. Y is mijns inziens niet van aard om te vrezen dat mr. Y bij de verdere behandeling van dit dossier nieuwe inbreuken op de deontologie zal plegen, zodat er naar mijn oordeel geen aanleiding bestaat om mr. Y te verplichten zich uit het dossier terug te trekken.
Men moet er zich voor hoeden deze maatregel aan te wenden als een soort tuchtrechtelijke sanctie. De stafhouder is niet bevoegd tuchtrechtelijke sancties uit te spreken en de tuchtrechtelijke sancties zijn overigens exhaustief beschreven in het Gerechtelijk Wetboek. Het ontrekken van een advocaat aan een zaak is geen tuchtrechtelijke sanctie.
3.
Het is een algemene ongeschreven deontologische regel dat advocaten hun deontologische betwistingen niet voor de rechtbank voeren.
De onafhankelijkheid van de advocatuur brengt met zich mee dat deontologische en tuchtrechtelijke betwistingen autonoom door de advocatuur worden behandeld en niet door de magistratuur.
Overigens zijn alle contacten tussen een advocaat en zijn stafhouder met betrekking tot een deontologisch geschil vertrouwelijk en vallen zij onder het beroepsgeheim.
Het is duidelijk dat mr. X deze regels heeft geschonden door in zijn brief aan het hof van beroep te Gent uitdrukkelijk gewag te maken van het deontologische geschil en van het feit dat hij klacht had ingediend bij de stafhouder.
De advocaat moet er zich van onthouden om in een procedure zijn tegenstrever persoonlijk aan te vallen, zelfs al bestaat daarvoor vanuit deontologisch oogpunt enige grond.
Ook hier is het aan de stafhouder van mr. X om te oordelen welk gevolg verder aan de klacht van mr. Y moet worden gegeven.
Philippe De Jaegere
Bestuurder departement deontologie