Deontologie-advies Advies 318
De stafhouder is bevoegd om bij wijze van bewarende maatregel een advocaat te verbieden een stuk in rechte voor te brengen om een potentiële inbreuk op een deontologische regel te voorkomen.
Briefwisseling tussen de advocaat en de cliënt is principieel gedekt door het beroepsgeheim – uitzonderingen – zowel advocaat als cliënt kunnen de brief in rechte aanwenden in een geschil tussen de advocaat en de cliënt – tendens om het bewijsrecht af te wegen tegen het beroepsgeheim en zo een partij toe te laten een brief van haar advocaat over te maken in een procedure t.a.v. een derde – stafhouder bevoegd om te oordelen of een brief onder het beroepsgeheim valt maar niet of deze al dan niet in rechte kan worden aangewend door de bestemmeling van de brief, dan wel als bewijsstuk moet worden geweerd.
De stafhouder is alleen bevoegd voor de leden van zijn balie, met uitzondering van zittingsincidenten.
Auteur
Dominique Dombret
Auteur
Merve Köse
Vraag
Meester X is de raadsman van mevrouw A, die een procedure voert tegen drie partijen, waaronder haar nonkel, de heer B.
Voorheen was mr. Y raadsman van mevrouw A, van wijlen haar vader, C en van B. Dit laatste wordt thans door de raadsman van mevrouw A betwist, maar speelt wellicht geen doorslaggevende rol bij dit advies (cfr. infra).
Op 27.11.2001 schreef mr. Y een brief naar mevrouw A, de heer C en B, waarin hij omstandig uiteenzet waarom hij zijn tussenkomst als advocaat beëindigt.
Deze brief wordt nu door mr. X aangewend in de procedure tegen o.m. de heer B. De brief wordt geciteerd in de dagvaarding en wordt ook als stuk neergelegd.
Mr. Z, is de raadsman van de twee overige partijen die naast de heer B werden gedagvaard, met name de heren D en E.
Mr. Z vraagt dat de stafhouders mr. X zouden verbieden om gebruik te maken van de brief van mr. Y. Concreet vraagt hij dat de procedure die werd ingeleid met een dagvaarding waarin citaten van de brief voorkomen, zou worden stopgezet en dat een nieuwe procedure zou worden gestart met een dagvaarding waarin niet meer wordt verwezen naar de brief van mr. Y, die vervolgens ook niet meer als stuk zou worden gebruikt.
Mr. Z steunt zich op het feit dat de brief volgens hem gedekt is door het beroepsgeheim, vermits het gaat over een brief van een advocaat aan zijn cliënt.
De stafhouder stelt twee vragen:
1. Mag mr. X de brief van 27.11.2001 van mr. Y in zijn stukkenbundel opnemen en mocht hij daarnaar in de dagvaarding verwijzen, gelet op het door de advocaat van erenotaris B op grond van een schending van het beroepsgeheim geuite verzet?
2. Gelden in geval van betwisting omtrent het gegeven of de neerlegging van een brief al dan niet het beroepsgeheim schendt bij meningsverschil tussen de betrokken stafhouders dezelfde voorrangsregels als deze toepassing vinden wanneer de problematiek het al dan niet vertrouwelijk karakter van briefwisseling betreft? Indien dit niet het geval is welk standpunt is dan doorslaggevend?
Advies
In alle bescheidenheid meen ik dat er een vraag is die vooraf gaat aan uw vraagstelling, met name deze van de bevoegdheid van de stafhouders in deze zaak.
Zeer zeker is de stafhouder bevoegd om bij wijze van bewarende maatregel een advocaat te verbieden een stuk in rechte voor te brengen. Hij doet dit om een potentiële inbreuk op een deontologische regel te voorkomen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het stuk een vertrouwelijke brief tussen advocaten betreft. Het is immers ook de stafhouder die, krachtens het ter zake geldende reglement van de Nationale Orde van Advocaten, beslist of de brief tussen advocaten al dan niet kan worden overgelegd in rechte.
Hetzelfde kan niet worden gezegd van de briefwisseling tussen een advocaat en zijn cliënt. Niemand betwist dat een brief die een advocaat naar zijn cliënt zendt principieel gedekt is door het beroepsgeheim. Er zijn hierop evenwel uitzonderingen. Zo wordt algemeen aanvaard dat zowel de advocaat als de cliënt deze brief in rechte kan aanwenden in een geschil tussen de advocaat en de cliënt. Er is op dat ogenblik geen sprake meer van schending van het beroepsgeheim.
Zo is er ook een tendens om het bewijsrecht af te wegen tegenover het beroepsgeheim en om een partij in naam van het bewijsrecht toe te laten een brief van haar advocaat in rechte aan te wenden in een procedure ten aanzien van een derde. Ik verwijs in dat verband naar een weliswaar reeds vrij oud arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van Besançon, dat becommentarieerd werd in de Journal des Tribunaux door Pierre LAMBERT, die o.m. besluit:
"Il (lees: l'arrêt) donne l’occasion de souligner que les cours et tribunaux peuvent être amenés à trancher des incidents qui échappent à l’arbitrage du bâtonnier de l’Ordre. Cela doit inciter les membres du barreau à une particulière circonspection lorsqu’ils écrivent à leurs clients.
Il en est d’autant plus ainsi qu’au fil du temps le droit de la preuve a imposé sa primauté sur le droit au secret."
Ik vrees dat de stafhouder weliswaar de bevoegdheid heeft om te oordelen of een welbepaalde brief onder het beroepsgeheim valt van de advocaat, maar niet of deze brief al dan niet in rechte kan worden aangewend door de bestemmeling van de brief, dan wel als bewijsstuk moet worden geweerd. Dit laatste behoort mijns inziens tot de bevoegdheid van de rechtbanken.
Het leidt wellicht geen twijfel dat de brief van mr. Y gedekt is door het beroepsgeheim. Het feit dat er twijfel kan bestaan over de vraag of de heer B al dan niet te beschouwen was als de cliënt van mr. Y doet geen afbreuk aan deze vaststelling. De brief was minstens gericht aan twee cliënten van mr. Y en mr. Y richtte hem ook aan de heer B als was het zijn cliënt. De stafhouder kan dit vaststellen, hij kan zijn standpunt daaromtrent meedelen aan de betrokken advocaten, maar daar eindigt mijns inziens de bevoegdheid van de stafhouder.
Het is immers perfect mogelijk dat de rechtbank oordeelt dat de cliënt van de advocaat (in casu mevrouw A) deze door het beroepsgeheim gedekte brief toch in rechte mocht aanwenden, zonder daardoor het beroepsgeheim te schenden. De stafhouder zou op deze beslissing vooruitlopen door het aanwenden van de brief te verbieden.
Ik wil er daarbij op wijzen dat er in casu geen sprake is van een potentiële schending van het beroepsgeheim door een van de betrokken advocaten, zodat ook daar geen grond kan gevonden worden voor het optreden van de stafhouder.
In het licht van hetgeen voorafgaat, meen ik dat uw eerste vraag niet verder moet worden beantwoord.
Uw tweede vraag kan ik wel beantwoorden.
Terecht merkt u op dat er hier geen sprake is van een problematiek van vertrouwelijke briefwisseling, waarvoor in het reglement van de Nationale Orde van Advocaten een voorrangsregeling is opgenomen. Deze voorrangsregeling geldt enkel voor de toepassing van dit reglement en kan niet mutatis mutandis worden toegepast op andere geschillen tussen advocaten van verschillende balies.
In alle andere gevallen blijft de regel dat de bevoegdheid van de stafhouder beperkt is tot de leden van zijn balie, met uitzondering van de zittingsincidenten. Het is dus enkel de stafhouder van Gent die gebeurlijk een maatregel kan treffen ten aanzien van mr. X. Het gebruik wil dat hij daarover overleg pleegt met de stafhouder van de klager, in casu de stafhouder van …, maar finaal blijft het zijn bevoegdheid en zijn verantwoordelijkheid, zodat hij alleen kan beslissen.
Philippe De Jaegere
Bestuurder departement deontologie