Deontologie-advies Advies 123
De Stafhouder heeft terecht een advocaat verboden om zonder voorafgaande toestemming een confrater van dezelfde balie in verzoening op te roepen, gezien de delicate aard van de zaak en het risico op opschudding binnen de balie. Daarnaast mag de Stafhouder, ter bescherming van de sereniteit en goede naam van de Orde, opleggen dat procedures tussen confraters plaatsvinden in een ander arrondissement en met raadslieden van buiten de eigen balie, zonder zich echter te mengen in burgerrechtelijke kwesties.
Auteur
Dominique Dombret
Auteur
Merve Köse
1. Het is vanzelfsprekend zo dat confrater B. als raadsman van confrater X. niet tot oproeping in verzoening van confrater Y. voor de Vrederechter kon overgaan zonder daartoe voorafgaandelijk de toestemming te bekomen van zijn stafhouder.
Het gaat om een geding van delicate aard waarbij in feite drie advocaten van dezelfde balie betrokken zijn en klaarblijkelijk was het oogmerk niet verzoening maar het verwekken van opschudding.
U heeft dan ook terecht verbod gegeven aan de betrokken advocaat om deze procedure door te zetten.
Sindsdien heeft U ook terecht verbod opgelegd aan de betrokken advocaat in de toekomst verder op te treden tegen de confrater van zijn eigen balie, vooreerst omdat hij in strijd met de deontologische regel zonder de stafhouder daarover te adïeren tot een proceduremaatregel tegenover een confrater van de eigen balie is overgegaan wat op zichzelf betekent dat hij zich uit de zaak moet deporteren, en vervolgens omdat U terecht oordeelde dat in een dergelijke delicate zaak het niet past, gezien de relaties van confraterniteit die tussen de leden van dezelfde balie moeten bestaan, dat een advocaat tegen een advocaat van zijn eigen balie zou optreden.
Ik meen dat U hier volledig binnen de grenzen van uw appreciatiebevoegdheid is gebleven wanneer U deze bewarende maatregel ter vermijding van opschudding, die de goede naam van de balie in het gedrang kan brengen, en ter vermijding van overmatige animositeit tussen leden van dezelfde balie, heeft genomen.
2. Verder meen ik dat U geen gevolg kunt geven aan het verzoek van confrater X. om een verzoening in eigen naam te lanceren tegen confrater Y. bij de Rechtbank van Eerste Aanleg.
Een stafhouder kan inderdaad een advocaat verbieden in bepaalde zaken te pleiten, in casu zijn echtscheidingsproces, wanneer hij aldus doende de principes van waardigheid en kiesheid in het gedrag zou kunnen brengen, en wanneer geen gevolg wordt gegeven aan dit verbod kan de raad van de Orde de advocaat daarvoor een tuchtsanctie opleggen (Cass., 31 januari 1980, Arr. Cass., 1979-80, 639 ; J.T., 1980, 280).
Het gaat om een toepassing van artikel 464 Ger.W. dat bepaalt dat de stafhouder bewarende
maatregelen kan nemen die de voorzichtigheid eist.
3. Zo kunt U ook opleggen, wanneer deze zaak zou moeten doorgevoerd worden, dat advocaat X. een advocaat zou nemen van een andere balie om deze te vertegenwoordigen en bovendien dat de zaak zou behandeld worden voor de Rechtbank van een ander arrondissement.
Daarover bestaat met name een beslissing van 6 april 1992 van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens waarbij het verzoek van C. Boers gericht tegen de Belgische Staat onontvankelijk werd genoemd wegens manifeste ongegrondheid in de zin van artikel 27 § 2 van de Conventie (Rev. Trim. Dr. Homme, 1993, 602, en noot LAMBERT, P., L'autorisation d'assigner un confrère avocat).
De Antwerpse stafhouder had verbod opgelegd aan een lid van zijn balie om een advocaat van de Antwerpse balie te dagvaarden en de Commissie heeft de actie van de heer Boers (zelf advocaat), waarmee hij zich de toegang tot de rechtsmachten door dit verbod ontzegd noemde (artikel 6 §1 E.V.R.M.) en de vrije keuze van raadsman (artikel 6 § 3c E.V.R.M.), afgewezen als manifest onontvankelijk.
De regel van deontologie die de stafhouder toelaat zulk gebod of verbod op te leggen aan een advocaat van zijn balie, heeft, zo stelt de Commissie, tot doel de animositeit binnen de balie te vermijden en een nadelige publiciteit voor de betrokken advocaat en zijn Orde (zie STEVENS, J., Regels en gebruiken van de advocatuur te Antwerpen, nr 1085, 1).
Inbreuk op het stafhouderlijk verbod of gebod ter zake zou kunnen leiden tot
tuchtvervolging zoals reeds gezien.
4. Of dit verbod uiteindelijk het gewenste resultaat zou bereiken, met name dat de animositeit binnen de eigen balie wordt vermeden en dat de animositeit tussen de betrokken confraters wordt gemilderd en de goede naam van de balie niet wordt geschaad, kan niet voorspeld worden, temeer omdat Mr X. er mee gedreigd zou hebben de balie te verlaten, wat misschien enigszins lichtzinnig is geuit.
Ik zie echter geen andere mogelijkheid dan dat U bedoelde verboden zou uitvaardigen en de nodige instructies zou geven opdat, indien er een procedure moet gevoerd worden, deze procedure gevoerd wordt in een ander arrondissement en met raadslieden uit een ander arrondissement.
5. Bovendien kunt U opleggen dat deze procedure zou gevoerd worden bij wijze van
vrijwillige verschijning vermits het ongepast wordt geoordeeld dat een advocaat zich zou
laten dagvaarden voor een rechtbank wanneer de mogelijkheid bestaat vrijwillig te
verschijnen.
Een advocaat is inderdaad een medewerker van het gerecht zodat hij niet moet gedagvaard worden om een zaak door het gerecht te laten beslechten die hem persoonlijk betreft.
6. Tenslotte meen ik dat het de Stafhouder in dergelijke zaken niet toekomt te oordelen dat bedoelde uitgaven een "ongeoorloofde oorzaak" hadden en dat de procedure sowieso zou kunnen verboden worden (vergoeding aan een medewerker met wie één van de confraters een overspelige relatie zou hebben).
Daarmee zou de Stafhouder zich immers begeven op het gebied van een burgerlijk recht en met name van de pecuniaire rechten van de betrokken partij, die eventueel zou kunnen aantonen dat sommige of alle uitgaven een ongeoorloofde oorzaak hadden.
Inderdaad de leer van de ongeoorloofde oorzaak omwille van een overspelige relatie heeft in eerste instantie geen betrekking op contracten, maar wel op schenkingen en nalatenschappen die zij elkaar toespelen, en zoals U weet, worden ook op dat gebied tegenwoordig in de rechtspraak regelmatig afwijkingen vastgesteld van het oude principe dat dergelijke schenkingen of legaten een ongeoorloofde oorzaak hebben.
Het is dus een delicaat domein dat de stafhouder niet vermag te betreden, vermits hij niet mag beschikken over de burgerlijke rechten van de partijen.
Jo STEVENS
Bestuurder departement deontologie