Gerechtelijke mandataris niet onderworpen aan witwaspreventiewet
Op verzoek van de OVB verduidelijkte de Cel voor Financiële Informatieverwerking dat advocaten in hun hoedanigheid van gerechtelijk mandataris niet onderworpen zijn aan de witwaspreventiewet.
Ook curatoren en voorlopige bewindvoerders bedoeld in de artikelen XX.31, § 1, en XX.32, § 2, van het Wetboek van economisch recht kwalificeren niet als onderworpen entiteiten. Op hen rusten wel enkele bijzondere witwaspreventieverplichtingen.
In februari vroeg de OVB aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI) of advocaten die optreden in de hoedanigheid van gerechtelijke mandataris wel onderworpen zijn aan de witwaspreventiewet (WPW). Volgens ons was dat niet het geval, maar in antwoord op een vraag van een advocaat leek de CFI in 2011 het tegenovergestelde standpunt toegedaan.
Dat zou betekenen dat advocaten-gerechtelijke mandatarissen gebonden zijn door alle witwaspreventieverplichtingen, met alle praktische moeilijkheden die daaruit zouden voortvloeien. Reden te meer om de CFI om opheldering te vragen.
Gerechtelijke mandatarissen
De CFI verduidelijkt dat advocaten die optreden in de hoedanigheid van gerechtelijk mandataris in beginsel niet aan de WPW zijn onderworpen.
Dat vloeit voort uit artikel 5, §1, eerste lid WPW. Volgens dat artikel zijn de bepalingen van de WPW slechts toepasselijk op advocaten "handelend in het kader van hun gereglementeerde beroepsactiviteiten". Die beroepsactiviteiten staan volgens de CFI opgesomd in punt 28 van dat artikel. Wanneer een advocaat dus andere activiteiten ontplooit, bijvoorbeeld wanneer hij optreedt als gerechtelijk mandataris, is hij niet onderworpen aan de WPW.
Curatoren en voorlopige bewindvoerders
Er geldt wel een belangrijke nuance voor twee soorten gerechtelijke mandatarissen: curatoren en voorlopige bewindvoerders zoals bedoeld in de artikelen XX.31, § 1, en XX.32, § 2, van het Wetboek van economisch recht (WER). Hoewel die gerechtelijke mandatarissen niet kwalificeren als onderworpen entiteiten onder de WPW, zijn ze toch gebonden door een meldings- en medewerkingsplicht.
Wanneer ze bij de uitoefening van hun opdrachten of bij de uitoefening van hun beroep geldmiddelen, verrichtingen of feiten vaststellen waarvan zij weten, vermoeden of redelijke gronden hebben om te vermoeden dat ze verband houden met het witwassen van geld of met de financiering van terrorisme, moeten ze die geldmiddelen, verrichtingen of feiten onmiddellijk melden aan de CFI. In dat geval zijn ze ook gebonden door het mededelingsverbod van artikel 55 WPW en genieten ze de meldersbescherming bedoeld in artikelen 56-59 WPW.
Zodra de CFI die meldingen ontvangt, oefent zij haar bevoegdheden overeenkomstig artikelen 80 tot en met 83 WPW uit.
De CFI kan curatoren en voorlopige bewindvoerders in de zin van Boek XX WER ook rechtstreeks alle bijkomende informatie vragen die ze nuttig acht voor de vervulling van haar taak. Ze mogen de CFI die informatie ook uit eigen beweging bezorgen.
Lees het standpunt van de CFI
Ook interessant
Zesde verslag College van Toezicht beschikbaar
Het College van Toezicht van de Vlaamse advocatuur heeft zijn zesde verslag gepubliceerd. Dat geeft een overzicht van de tuchtprocedures tegen Nederlandstalige advocaten in het gerechtelijk jaar dat loopt van 1 september 2024 tot 31 augustus 2025.
Nieuwe regels voor de stage vanaf 1 september 2026
Onze algemene vergadering keurde op 24 juni 2026 een grondige herziening goed van Hoofdstuk 1 van Deel II van de Codex Deontologie voor Advocaten (stage). Lees wat er wijzigt.