Advies 548
Het Gerechtelijk Wetboek legt geen verplichting betreffende de hoofdverblijfplaats op. Een advocaat moet aldus niet zijn hoofdverblijfplaats in België hebben om als advocaat bij een Vlaamse balie te kunnen ingeschreven zijn/blijven en het beroep van advocaat te kunnen uitoefenen.
Advies 546
Het ereloon van een advocaat wordt bepaald en betaald in geld. Aldus is de overdracht van een schuldvordering als inbetalinggeving voor erelonen deontologisch niet toelaatbaar.
Advies 545
Met betrekking tot de vraag of de cumul advocaat–landbouwer is toegestaan, lijkt er zich geen probleem van waardigheid of onafhankelijkheid te stellen. De vraag die zich eerder aandient is of de advocaat nog wel voldoende tijd kan besteden aan zijn advocatenpraktijk Indien hij dit kan verzekeren, lijkt er geen beletsel te zijn om naast zijn advocatenpraktijk landbouwactiviteiten uit te oefenen.
Advies 543
Interpretatie van artikel V.3.1.8. van de Codex - De advocaat die op 2 december een tweede kantoor opent, is voor dat kantoor het eerste jaar geen baliebijdrage verschuldigd. Dit geldt tevens voor wie zich op 2 december aan een balie inschrijft en er hoofdkantoor houdt. Vereist is wel dat de advocaat meerdere kantoren heeft; het geldt niet wanneer hij alleen een ‘hoofdkantoor’ opent.
Advies 539
Een advocatenkantoor kan uitgeoefend worden onder de vorm van een commanditaire vennootschap met dien verstande dat, zo deze is opgericht in het Vlaams rechtsgebied, de onderscheiden vennoten advocaat zijn.
Advies 538
Een plaatsvervangend rechter treedt niet op als advocaat voor mensen over wie hij een rechterlijke handeling heeft gesteld, hoe klein die ook moge zijn. Hij doet hierdoor afbreuk aan de onpartijdigheid van de rechterlijke macht, nu een optreden als advocaat steeds partijdigheid impliceert.
Advies 541
Een rechter – ook een plaatsvervangend rechter – treedt niet op als advocaat voor rechtzoekenden over wie hij een rechterlijke handeling heeft gesteld, hoe klein die ook moge zijn. Hij doet hierdoor afbreuk aan de onpartijdigheid van de rechterlijke macht, nu een optreden als advocaat steeds partijdigheid impliceert.
Advies 540
Deontologisch en wettelijk kan een advocaat niet toegelaten worden om de functies van aandeelhouder en bestuurder op te nemen in een commerciële vennootschap met als doel de aan- en verkoop van vastgoed, verbouwingen en aannemingswerken, import, export, onderhoud en herstellingen van wagens. Het is een absolute onverenigbaarheid.
Advies 532
De oprichting van een commerciële vennootschap door een advocaat die hierin aandeelhouder en bestuurder zou zijn en waarbij de activiteit bestaat in aankoop/verkoop van vastgoed, verbouwingen en aannemingswerken, import/export/onderhoud en herstellingen van wagens, is onverenigbaar met het beroep van advocaat.
Advies 525
Wanneer een advocaat al zijn activiteiten als advocaat heeft ondergebracht in zijn (eenpersoons)vennootschap en aldus geen werkzaamheden meer uitoefent als advocaat-natuurlijk persoon, heeft hij deze activiteit als het ware stopgezet en kan hij zijn zelfstandige activiteit als natuurlijke persoon uitschrijven uit de KBO. Wanneer de advocaat daarentegen enkele activiteiten niet heeft ondergebracht in zijn vennootschap, zijn deze niet-ingebrachte activiteiten als advocaat-natuurlijk persoon aldus niet beëindigd en dient hij zijn inschrijving in de KBO te behouden.
Advies 537
Een vrederechter stelt een advocaat aan als ‘juridisch adviseur’, niet als gerechtsdeskundige. De bepalingen ter zake van het gerechtelijk wetboek zijn niet van toepassing – een rechter heeft niet de bevoegdheid om de beoordeling van juridische kwesties te delegeren aan een derde: artikel 11, eerste lid Ger. W. (verbod op overdracht van rechtsmacht) – een advocaat mag optreden tegen een advocaat die verbonden is aan dezelfde balie (artikel VI.2.1 van de Codex Deontologie voor Advocaten).
Advies 536
De advocaat bepaalt zelf zijn ereloon en doet dit in volledige onafhankelijkheid. Zo mag hij zelf bepalen op welke wijze (uurtarief, forfait, …) hij zijn ereloon begroot. Uiteraard moet hij hierover communiceren met zijn cliënt bij aanvang van de dienstverlening - transparantie is niet alleen een deontologische verplichting, maar tevens een thans wettelijk verankerde verplichting (artikelen III.74 – 81 van het WER) – verbod om misleidende publiciteit te voeren (artikel III.1.7.2 van de Codex) en toepassing van de bepaling omtrent het vermelden van tarieven en voorwaarden (artikel III.1.7.6 van de Codex) – er is geen beletsel om de kosten en prestaties van de advocaat op voorhand te betalen, temeer er in casu wordt voorzien in een regeling voor het geval de cliënt de samenwerking beëindigt.