Deontologie-advies Advies 776
Art. 30bis RSZ-wet en art. 53–59 Wetboek Minnelijke en Gedwongen Invordering leggen weliswaar een inhoudingsplicht op aan opdrachtgevers (factuurbetalers) bij fiscale of sociale schulden van een (onder)aannemer, maar deze wettelijke verplichting rust niet op de advocaat die als lasthebber via zijn derdenrekening voor de cliënt gelden int.
De deontologie vereist krachtens art. 134 Codex Deontologie voor Advocaten dat de advocaat ontvangen derdengelden onverwijld aan de rechthebbende (de cliënt) doorstort en verbiedt hem zonder juridische grond bedragen voor derden in te houden.
Zolang geen bevel of beslag is betekend, bestaat noch wettelijk, noch deontologisch een inhoudings- of doorstortingsplicht.
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
Een lid van uw balie stelde zich de vraag of hij als advocaat bij het beheer van derdengelden van een cliënt onderhevig is aan de inhoudingsplicht ten gunste van de FOD Financiën en/of de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
De vraag betreft een advocaat die via zijn derdenrekening gelden heeft ontvangen na invordering van onbetaalde facturen voor een cliënt. De cliënt heeft fiscale en/of sociale schulden, waarvoor er normaliter een inhoudingsplicht geldt voor diens opdrachtgevers (de debiteuren die de facturen betalen). De vraag is of de advocaat wettelijk verplicht is om (een deel van) deze derdengelden door te storten aan de FOD Financiën of de RSZ in plaats van rechtstreeks aan zijn cliënt, en welke deontologische regels hier spelen.
Advies
1. Wettelijke plicht tot inhouding?
Art. 30bis van de RSZ-wet (voor de sociale schulden) en artikelen 53 t.e.m. 59 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale invorderingen (voor de fiscale schulden) leggen aan opdrachtgevers (hoofdaannemers of klanten) de plicht op om een deel van factuurbedragen in te houden als de (onder)aannemer fiscale of sociale schulden heeft.
Deze inhoudingsplicht geldt in de regel voor bepaalde sectoren (bv. werken in onroerende staat) en enkel voor professionele opdrachtgevers. Particulieren die louter privé-opdrachtgever zijn, vallen hier doorgaans buiten.
Via de onlinedienst www.checkinhoudingsplicht.be kan men nagaan of voor een bepaalde onderneming de sociale en/ of fiscale inhoudingsplicht geldt.
Indien een opdrachtgever verzuimt de verplichte inhouding toe te passen, dan kan de RSZ, respectievelijk de FOD Financiën van de opdrachtgever of de aannemer de niet-gedane inhouding vorderen, vermeerderd met een gelijk bedrag als bijslag, en dit alles desgevallend bovenop de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de sociale en/of fiscale schulden zelf.
Belangrijk is dat deze inhoudingsplicht rust op de betalende partij (opdrachtgever) en niet op de ontvanger van de gelden. De wet verplicht dus degene die de factuur betaalt tot inhouding; de schuldeiser die het geld ontvangt, heeft op zich geen plicht om spontaan iets aan de fiscus/RSZ af te staan (los van zijn normale aangifteplicht voor belastingen en het betalen van eigen schulden).
In dit geval waren de opdrachtgevers van de cliënt gehouden tot inhouding, maar zij hebben het volledige bedrag aan de advocaat betaald.
De advocaat treedt hier op als lasthebber/derdenrekeninghouder die het geld incasseert voor rekening van zijn cliënt. Wettelijk bestaat er géén bepaling die de advocaat verplicht om bij dergelijke ontvangst zelf een inhouding door te voeren ten gunste van de fiscus of RSZ.
De plicht lag bij de originele betalers. Zodra de opdrachtgevers het volledige bedrag betaalden, is de situatie formeel gezien alsof de cliënt zijn geld heeft ontvangen. Tenzij de advocaat zelf in een rol zou verkeren die onder die wetgeving valt (bijvoorbeeld als opdrachtgever voor werken, wat hier niet het geval is), is er geen directe doorstortingsverplichting aan de overheid.
Er bestaat dus geen wettelijke verplichting voor de advocaat om proactief een gedeelte van deze derdengelden door te storten aan FOD Financiën of RSZ. De verantwoordelijkheid voor de inhouding lag bij de debiteuren/opdrachtgevers, niet bij de advocaat als tussenpersoon. Zolang er geen specifieke overheidsmaatregel (bv. een beslag onder derden) is gesteld op de door de advocaat ontvangen sommen, mag en moet hij juridisch gezien het bedrag aan zijn cliënt uitkeren.
2. Deontologische plicht tot inhouding?
De deontologie schrijft voor dat de advocaat ontvangen derdengelden zonder onnodige vertraging aan de rechthebbende moet doorstorten. In art. 134 van de Codex Deontologie voor Advocaten is verankerd dat derdengelden “onverwijld” aan de bestemmeling moeten worden bezorgd. Het opzettelijk of onnodig lang vasthouden van derdengelden is een tuchtinbreuk.
In dit geval is de bestemmeling de cliënt (die uiteindelijk rechthebbende is van de geïnde factuurgelden).
Zodra het voor de advocaat duidelijk is dat hij het geld definitief voor zijn cliënt ontvangen heeft, moet hij dit bedrag zo snel als redelijkerwijs mogelijk is doorstorten aan zijn cliënt.
De advocaat mag op zijn derdenrekening alleen verrichtingen doen in opdracht van of ten bate van de rechthebbende(n) van de gelden. Zonder instructie of juridische basis mag hij geen sommen inhouden voor andere doeleinden. Eenzijdig een deel van het geld afromen om aan de fiscus/RSZ te geven zou de advocaat in een moeilijke positie brengen tegenover zijn cliënt én is buiten zijn bevoegdheid.
Er is geen deontologische regel die de advocaat opdraagt de rol van fiscus of RSZ over te nemen en proactief schulden van de cliënt te gaan voldoen. Integendeel, hij moet neutraal de gelden beheren en afgeven aan wie er recht op heeft, behoudens een tegenstrijdige wettelijke verplichting.
De advocaat dient de belangen van zijn cliënt voorop te stellen, binnen de grenzen van de wet. Zolang de wet hem niet verplicht tot doorstorting aan de overheid, zou het inhouden van gelden tegen de wil van de cliënt zelfs kunnen worden gezien als een schending van het mandaat of een belangenconflict.
Wel mag (en moet) de advocaat zijn cliënt informeren en adviseren over de mogelijke consequenties van het niet nageleefd zijn van de inhoudingsplicht door de opdrachtgevers. Deze adviserende rol valt onder de behoorlijke beroepsuitoefening.
Zo kan hij de cliënt wijzen op:
o het feit dat de opdrachtgevers nu mogelijk hoofdelijk aansprakelijk zijn voor diens RSZ/fiscale schulden, en dat zij eventueel verhaal op de cliënt zouden kunnen zoeken voor dat deel.
o de mogelijkheid dat de fiscus of RSZ alsnog een beslag zou kunnen leggen als de schuld blijft openstaan.
De eindbeslissing over wat met het geld gebeurt, ligt evenwel uiteindelijk bij de cliënt (behoudens wettelijke inmenging).
Noch wettelijk, noch deontologisch is er dus grondslag om de advocaat voor derdengelden tot fiscale/RSZ-doorstorting te verplichten. De advocaat mag de ontvangen derdengelden gewoon doorstorten aan zijn cliënt. Dit alles geldt uiteraard slechts mits intussen door de fiscus of RSZ geen een bevel of beslag is betekend dat deze sommen blokkeert; in dat geval moet de advocaat daaraan uiteraard de wettelijke gevolgen verlenen.
Jan Meerts
Bestuurder deontologie, tucht en regulering