Deontologie-advies Advies 727
Auteur
Merve Köse
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
De betrokken advocate wenst zich als landbouwer in de KBO in te schrijven. Het is geenszins haar bedoeling om een landbouwvennootschap op te richten waarin landbouwactiviteiten worden uitgebaat. Wel wil ze de gronden die ze bezit samen met haar echtgenoot, een pensioengerechtigde landbouwer die zijn landbouwbedrijf nog blijft uitbaten, beschermen naar derden toe in het kader van de Pachtwet.
Artikel 9, lid 2 van die wet laat volgens de betrokken advocate immers niet toe dat de pachtovereenkomst wordt opgezegd om de gronden persoonlijk of door familieleden te (laten) exploiteren als de verpachter bij het verstrijken van de opzeggingstermijn de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, dan wel de leeftijd van 60 jaar wanneer het een persoon betreft die niet gedurende ten minste drie jaar landbouwexploitant is geweest.
Omdat haar echtgenoot reeds te oud is, zou hij de pachtovereenkomst niet meer kunnen opzeggen om redenen van persoonlijk exploitatie volgens artikel 9 van de Pachtwet. De betrokken advocate heeft de leeftijd van 60 jaar echter nog niet bereikt, en zou dus – mits ze ten minste drie jaar landbouwexploitant is geweest – de pachtovereenkomst wel kunnen opzeggen.
U vraagt zich af of een advocaat zich als landbouwer kan inschrijven in de KBO.
Ik verleen u het volgende advies.
Advies
Volgens artikel 437, lid 1, 3° van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.) is het beroep van advocaat absoluut onverenigbaar met het drijven van handel of nijverheid. De raad van de Orde heeft onder artikel 437, lid 1, 3° Ger.W., in tegenstelling tot de beoordeling of er sprake is van een onverenigbaarheid tussen het beroep van advocaat en specifieke bezoldigde betrekkingen of werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 437, lid 1, 4° Ger.W., geen beoordelingsmarge. Het Hof van Cassatie bevestigde dat in zijn arrest van 26 maart 2021 (nr. C.19.0350.N.).
Sinds de totstandkoming van het reglement van 19 december 2018 ‘tot wijziging van ‘Afdeling I.2.5 Onverenigbaarheden’ en ‘Deel IV Advocaat treedt op in een andere hoedanigheid’ van de Codex’ (beter bekend als het ‘reglement perimeter’, dat werd goedgekeurd na de Ondernemingswet van 15 april 2018 dat de begrippen ‘handelaar’ en ‘koopman’ verving door ‘onderneming’) werd dit verbod ten onrechte genegeerd, ervan uitgaande dat artikel 437, lid 1, 3° Ger.W. zou worden gewijzigd, of zelfs afgeschaft. Dit is uiteindelijk niet gebeurd.
Gelet op enerzijds artikel 254, tweede lid van de Ondernemingswet van 15 april 2018 (dat de toepassing van wettelijke, reglementaire of deontologische bepalingen die onder verwijzing naar ‘handelaar’, ‘koop-man’ of afgeleide begrippen beperkingen opleggen aan de toegelaten activiteiten van gereglementeerde beroepen, onverlet laat) en anderzijds het openbare orde-karakter van artikel 437, eerste lid, 3° Ger.W., kan niet anders dan de onverenigbaarheid van het beroep van advocaat met het drijven van handel en nijverheid vast te stellen.
Dat betekent dat het arrest van het Hof van Cassatie van 14 januari 1993 onverkort van toepassing blijft. Bijgevolg heeft het verbod bedoeld in artikel 437, lid 1, 3° Ger.W. niet alleen betrekking op de handel in de enge zin, maar op alle soortgelijke werkzaamheden die uitlopen op een geestesgesteldheid die niet strookt met de geestesgesteldheid die de beroepsethiek van de advocaat moet beheersen. Dat wordt ook bevestigd in de conclusie van advocaat-generaal Mortier bij het eerder vermelde cassatiearrest van 26 maart 2021:
"Thans wordt voormelde onverenigbaarheid veeleer dan aan de geest van handel, de aansprakelijkheid van handelaars en het gevaar voor faillissement verbonden aan het gegeven dat het een ander beroep betreft met eigen regels, risico’s en geplogenheden en dat de cliënten in hun advocaat een vertrouwensman moeten ontmoeten die uit de behartiging van hun belangen, wat de stijl en de plichten van zijn werkzaamheden bepaalt, zijn beroepsinkomen verwerft."
Er rijzen geen bezwaren in het licht van het verbod op het drijven van handel en nijverheid wanneer de betrokken advocate in de KBO als landbouwer registreert, voor zover ze geen commerciële landbouwactiviteiten ontplooit.
Het beroep van advocaat is volgens artikel 437, lid 1, 4° Ger.W. ook onverenigbaar met alle bezoldigde betrekkingen of werkzaamheden, tenzij ze de onafhankelijkheid van de advocaat of de waardigheid van de balie niet in het gedrang brengen. Artikel 11, lid 2 van de Codex voegt daaraan toe dat de advocaat die een andere activiteit uitoefent, erop moet toezien dat die activiteit zijn onafhankelijkheid en beroepsgeheim in de uitoefening van het beroep van advocaat niet schendt en dat hij ieder belangenconflict vermijdt. Die activiteit mag in geen geval het publieke vertrouwen in de advocatuur in het gedrang brengen.
Ik breng op dit punt advies nr. 545 in herinnering. Volgens dit advies lijkt de advocaat-landbouwer noch de waardigheid van de balie, noch zijn onafhankelijkheid in het gedrang te brengen. Wel rijst de vraag of de advocaat-landbouwer voldoende tijd kan besteden aan zijn advocatenpraktijk en dus voldoende beschikbaar en bereikbaar is zowel voor cliënteel als voor confraters en derden met wie die advocaat in contact komt. Indien hij dit kan verzekeren, lijkt er geen beletsel te zijn om naast een advocatenpraktijk landbouwactiviteiten uit te oefenen.
Nu de betrokken advocate pas landbouwactiviteiten wenst te ontplooien zodra zij de balie heeft verlaten, rijzen er ook op dit vlak geen bezwaren.
Voor de goede orde wijs ik de betrokken advocate op het arrest van het Grondwettelijk Hof van 10 maart 2011 (nr. 35/2011), waarin het Hof uitdrukkelijk overwoog dat de leeftijdsvoorwaarden in artikel 9, lid 2 van de Pachtwet betrekking hebben op de begunstigde van de opzegging van de pachtovereenkomst, en niet op de persoon die die overeenkomst opzegt (zie randnummer B.6. van het aangehaalde arrest)
Jan Meerts
Bestuurder deontologie, tucht en regulering