Deontologie-advies Advies 645
De advocaat van eiser kon bij het instellen van het geding niet weten dat de tegenpartijen bijgestaan zouden worden door twee confraters die werkzaam zijn op het kantoor waar haar partner tevens werkzaam is, ook al zouden de tegenpartijen er vaste cliënt zijn. De raadslieden van de tegenpartijendaarentegen, wisten bij aanvang van het dossier dat hun kantoorgenoot partner is op hetzelfde kantoor als dat van de advocaat van eiser. Zeker gelet op de delicate aard van de zaak, kunnen de advocaten van de tegenpartijen moeilijk optreden.
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
Mr. A en mr. B zijn partners in eenzelfde kantoor. Daarnaast is mr. B werkzaam in het kantoor X, waar ook mrs. C en D werkzaam zijn.
Mr. A treedt op als raadsman van eisende partij in een procedure van bewindvoering over de goederen van tweelingzussen. Die zussen worden bijgestaan door mrs. C en D.
Mr. A meent dat mrs. C en D niet kunnen optreden voor de tweelingzussen, bij gebrek aan onafhankelijkheid.
Mrs. C en D van hun kant beweren dat de onafhankelijkheid van mrs. A en B in vraag moet worden
gesteld, omdat:
- de tweelingzussen vaste cliënten zijn van het kantoor X;
- nagenoeg iedereen heeft op dit kantoor kennis van de lopende dossiers, met inbegrip (vooral van) het delicaat karakter van de familiale gedingen.
Advies
Vooreerst breng ik volledigheidshalve artikel 9, § 2 van de Codex even in herinnering:
“Als advocaten het beroep in associatie of groepering uitoefenen, zijn de artikelen 5 tot en met 8
van toepassing zowel op de groep in zijn geheel als op haar individuele leden en op de stagiairs
en medewerkers van de advocaten.”
Ik merk op dat de betrokken raadslieden het wel eens lijken te zijn over het feit dat er sprake is van een belangenconflict (dat zij weliswaar bestempelen als “schending van de onafhankelijkheid”). Ik treed hen daarin bij. Temeer omdat het gaat om een familiaal geding, wat – zoals mrs. C en D terecht opperen – delicaat van aard is.
De vraag betreft veeleer wie zich bezondigt aan het belangenconflict en zich derhalve dient terug te trekken.
Aangezien mr. A gecontacteerd werd door eiser, kon zij bij het instellen van het geding niet weten dat de tegenpartijen (de tweelingzussen) bijgestaan zouden worden door twee confraters die werkzaam zijn op het kantoor waar haar partner B tevens werkzaam is, ook al zouden die zussen vaste cliënt zijn van het kantoor X.
Mrs. C en D daarentegen, wisten bij aanvang van het dossier dat hun kantoorgenoot mr. B partner is op hetzelfde kantoor als dat van mr. A.
Zeker gelet op de delicate aard van de zaak, komt het mij voor dat mrs. C en D moeilijk kunnen optreden voor de zussen. Er is minstens sprake van een mogelijke schijn van tegenstrijdige belangen.
Alex Tallon
Bestuurder deontologie