Ga verder naar de inhoud

Deontologie-advies Advies 550

1. Op een Waalse advocaat is de regelgeving van de OBFG (en desgevallend de lokale regels) van toepassing. Op een Vlaamse advocaat is de regelgeving van de OVB van toepassing, maar ook de regelgeving van de plaats waar het geschil loopt. De dubbele deontologie is van toepassing.

2. De mededeling dat de expeditie naar de gerechtsdeurwaarder wordt gestuurd indien geen hoger beroep wordt aangetekend vóór een bepaalde datum is slechts een dreiging met betekening. Om te voldoen aan de regel van artikel III.2.1.10 van de Codex moet de advocaat ten laatste op het ogenblik dat hij de expeditie aan de gerechtsdeurwaarder overmaakt om te betekenen, zijn confrater meedelen dat hij effectief deze opdracht ging geven of gaf aan de gerechtsdeurwaarder.

3. De stafhouder is niet bevoegd om aan een partij op te leggen te verzaken aan het voordeel van de betekening van een vonnis. De loyaliteit gebiedt een advocaat alles in het werk te stellen om de nadelige gevolgen van zijn ondeontologisch handelen zoveel mogelijk teniet te doen. In gevallen waarin een vonnis wordt betekend met miskenning van artikel III.2.1.10 kan de stafhouder daarom de betrokken advocaat opleggen alles in het werk te stellen om zijn cliënt ervan te overtuigen te verzaken aan het voordeel van de betekening. Hij zou ook, indien hoger beroep wordt aangetekend, de betrokken advocaat kunnen verbieden op te treden in graad van beroep, indien zijn cliënt niet verzaakt aan de betekening.

Auteur

Dominique Dombret

Coördinator deontologie en tucht
Dominique Dombret 02

Deel dit artikel

Vraag

U vraagt mijn advies in verband met de toepassing van artikel III.2.1.10 van de Codex Deontologie voor Advocaten (hierna: de Codex), zonder evenwel het concrete dossier over te maken. Ik maak dan ook voorbehoud bij dit advies aangezien ik geen kennis heb van de precies gevoerde briefwisseling. Indien u wenst kan ik u naderhand een bijkomend advies verstrekken wanneer u de relevante stukken overmaakt.

Staat u mij toe dat ik voorafgaand - voor een goed begrip van dit advies - de chronologie van de feiten zoals ze door u werden uiteengezet in uw brief d.d. 12 november 2015, even herhaal.

Bij vonnis d.d. 05.02.2015 van de rechtbank van koophandel te … werd de vordering van eiser (bijgestaan door een [Waalse] advocaat) afgewezen en werd hij veroordeeld tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding.

Op 27.02.2015 deelt de [Waalse] advocaat van eiser aan zijn [Vlaamse] confrater mee dat hij opdracht heeft om hoger beroep aan te tekenen.

Op 27.03.2015 meldt de [Vlaamse] advocaat van verweerder dat de expeditie naar de gerechtsdeurwaarder wordt gestuurd indien geen hoger beroep wordt aangetekend vóór 08.04.2015.

U deelt niet mee dat de [Vlaamse] advocaat aan zijn tegenstrever de afrekening heeft toegezonden (artikel III.2.1.10 al. 1 van de Codex).

Op 31.03.2015 vraagt de [Vlaamse] advocaat van verweerder de expeditie van het vonnis d.d. 05.02.2015 aan.

Op 29.04.2015 maakt de [Vlaamse] advocaat van verweerder de expeditie over aan de gerechtsdeurwaarder met de vraag over te gaan tot de betekening en de uitvoering. Hij vraagt de gerechtsdeurwaarder tevens om stipt op de hoogte te worden gehouden van de ondernomen acties. De [Vlaamse] advocaat deelt dit niet mee aan de [Waalse] advocaat van eiser.

Op 13.05.2015 wordt het vonnis op verzoek van verweerder betekend aan eiser met bevel tot betaling.

Op 19.05.2015 stuurt de [Waalse] advocaat van eiser een fax naar de [Vlaamse] advocaat van verweerder met mededeling van een ontwerp van beroepsakte met inventaris van de stukken en met een vraag over de vertaling van zes stukken. U deelt niet mee of op de vraag tot vertaling door de [Vlaamse] advocaat werd geantwoord, noch wat er eventueel zou zijn geantwoord.

Op 03.07.2015 informeert de [Vlaamse] advocaat van verweerder bij zijn [Waalse] confrater of de beroepsakte reeds werd neergelegd. Hij zwijgt over de betekening op 13.05.2015.

Hierna wordt de beroepsakte neergelegd, doch buiten de beroepstermijn.


Advies

1.

Vooreerst rijst de vraag welke deontologie van toepassing is, gelet op het feit dat het een geschil betreft tussen een Vlaamse en Waalse advocaat en waarbij het geding zich situeert in Wallonië (rechtbank van koophandel van V en het hoger beroep voor het hof van beroep te …).

Tijdens de voorbereidende besprekingen van de Codex Deontologie voor Advocaten (van de OVB) werd een geschillenregeling uitgewerkt voor (onder meer) conflicten tussen Vlaamse en Waalse advocaten. Zo werd volgende bepaling voorgesteld:

“Artikel VIII.3.3

Op deze betwistingen is de regelgeving van toepassing, die geldt voor de balie van de plaats waar de procedure, arbitrage, bemiddeling, onderhandeling of de professionele activiteit, waarop de betwisting betrekking heeft, plaatsvindt.”

Omdat deze ‘grensoverschrijdende’ geschillenregeling niet werd weerhouden, kan er thans geen beroep op gedaan worden om de toepasselijke deontologie te bepalen in het voorliggende geschil.

De OVB heeft evenwel de gedragscode van de CCBE aanvaard.

De gedragscode van de CCBE bepaalt in zijn artikel X.1.3.2 onder meer:

“Zij spreken voorts de wens uit dat hun interne gedragsregels zoveel mogelijk zullen worden geïnterpreteerd en toegepast overeenkomstig de onderhavige gedragscode.”

We moeten ons voor wat het grensoverschrijdend verkeer tussen advocaten richten naar de beginselen neergelegd in de CCBE-gedragscode.

Van dit beginsel kan mijns inziens evenmin worden afgeweken wanneer we in België handelen met confraters die vallen onder de OBFG-reglementering wanneer de prestaties die de advocaat behoort te leveren, prestaties zijn die betrekking hebben op een geding gevoerd bij een rechtsmacht die volledig in het rechtsgebied van de OBFG ligt. Het komt mij voor dat er geen andere regel zou kunnen gelden voor de behandeling van een zaak voor de rechtbank te Rijsel dan te Luik.

Het lijkt mij derhalve dat op de [Waalse] advocaat de regelgeving van de OBFG (en desgevallend de lokale regels) van toepassing is. Op de [Vlaamse] advocaat is de regelgeving van de OVB van toepassing, maar ook de regelgeving van de plaats waar het geschil loopt. De dubbele deontologie is van toepassing.

Artikel X.2.4.1 van de CCBE Code bepaalt:

“Bij het verrichten van grensoverschrijdende activiteiten kan een advocaat van een andere lidstaat ertoe gehouden zijn de beroeps- en gedragsregels van de lidstaat van ontvangst te respecteren. De advocaat is verplicht zich ervan te vergewissen welke gedragsregels op een bepaalde activiteit van toepassing zijn.”

Met andere woorden, de advocaat die voor rechtsmachten zaken behandelt waar een andere regelgeving van toepassing is moet zich informeren over deze regelgeving en moet de regelgeving van de plaats waar het geschil loopt naleven, zonder dat hij daarom eigen regelgeving die niet in strijd is met de plaatselijke regelgeving mag veronachtzamen.

2.

Artikel 6.18 van de Code de déontologie des avocats van de OBFG luidt als volgt:

“L’avocat informe clairement et à bref délai l’avocat de la partie adverse de toute signification ou mise à exécution d’une décision judiciaire, et de tout exercice d’un recours, ce avant ou au plus tard au moment de ceux-ci.”


3.

Artikel III.2.1.10 van de Codex bepaalt:

“Vooraleer tot betekening en ten uitvoerlegging van een gerechtelijke beslissing te laten overgaan, nodigt de advocaat zijn tegenstrever uit tot vrijwillige uitvoering en/of berusting en verleent hij hem hiertoe een redelijke termijn.

De onmiddellijke betekening en/of ten uitvoerlegging kan ook in geval van hoogdringendheid of noodzakelijkheid voortvloeiende uit de wet of uit de beslissing zelf.

De advocaat brengt steeds de betrokken advocaten op de hoogte dat hij opdracht geeft om een gerechtelijke beslissing te laten betekenen. Hij doet dat ten laatste op het ogenblik dat hij die opdracht geeft."

Daarnaast bepaalt artikel III.2.1.11 van de Codex:

“De advocaat die een rechtsmiddel aanwendt, brengt de in de zaak betrokken advocaten daarvan zo snel mogelijk op de hoogte. Hij doet dat ten laatste op het ogenblik dat hij dat middel aanwendt.”

Aangezien op de [Waalse] advocaat - die op 27.02.2015 aan de [Vlaamse] advocaat kenbaar heeft gemaakt dat hij instructie had om hoger beroep aan te tekenen – de regelgeving van de Orde van Vlaamse Balies niet van toepassing is voor de behandeling van een geschil hangende voor een rechtsmacht binnen het territorium van de OBFG, dient het hierboven geciteerde artikel III.2.1.11 van de Codex in casu niet getoetst te worden.

Gelet op de spoedige kennisgeving van de [Waalse] advocaat van zijn instructie om hoger beroep aan te tekenen, was de [Vlaamse] advocaat op de hoogte dat de tegenpartij niet in het vonnis zou berusten, noch tot vrijwillige uitvoering zou overgaan. Het eerste lid van artikel III.2.1.10 van de Codex is aldus niet aan de orde. De toepasselijkheid ervan lijkt trouwens niet ter discussie te staan.

De vraag rijst echter of de [Vlaamse] advocaat voldoet aan de verplichting opgelegd door het derde lid van artikel III.2.1.10 van de Codex.

Bij de totstandkoming van deze bepaling is er lang gediscussieerd over de bewoordingen ervan. Het woordje “steeds” duidt erop dat de advocaat zijn tegenstrever moet verwittigen van het feit dat hij het vonnis of arrest ter betekening overmaakt aan de gerechtsdeurwaarder, ook wanneer hij vooraf reeds had aangekondigd dat hij dit zou doen bijvoorbeeld bij gebreke van betaling binnen een bepaalde termijn of zoals in casu bij gebreke aan het aantekenen van hoger beroep voor 08.04.2015 (op 27.03.2015 heeft de [Vlaamse] advocaat dit gemeld aan de [Waalse] advocaat). Voor de goede orde wens ik op te merken dat de advocaat zijn confrater niet moet verwittigen van de betekening zelf (die in casu volgens uw mededeling heeft plaatsgevonden op 13.05.2015 zonder mededeling van de datum van de betekening). Volgens artikel III.2.1.10, laatste lid van de Codex moet de kennisgeving van de opdracht tot betekening ten laatste gebeuren op het ogenblik dat hij de opdracht geeft. Uit uw feitenrelaas moet ik opmaken dat de [Vlaamse] confrater deze verplichting niet lijkt te hebben nageleefd.

Er mag evenwel eveneens geen lange periode zitten tussen de aankondiging van de betekening en de opdracht daartoe, omdat anders de tegenstrever dreigt te worden misleid wanneer de verwachte betekening niet komt binnen een normale termijn en dus de cliënt en de advocaat à l’improviste zouden kunnen worden genomen wanneer de betekening er uiteindelijk dan toch komt. (J. STEVENS, Advocatuur. Regels & Deontologie”, Mechelen, Kluwer, 2015, 1095, nr. 1365.).

Aangezien ik niet beschik over de gevoerde briefwisseling, kan ik niet precies oordelen over de draagwijdte van de bewoordingen van de [Vlaamse] advocaat in zijn brief van 27.03.2015. Uit uw uiteenzetting van de feiten (“Op 27.03.2015 meldt de [Vlaamse] raadsman van de verweerder dat de expeditie naar de gerechtsdeurwaarder wordt gestuurd indien geen hoger beroep is aangetekend vóór 08.04.2015”) meen ik evenwel te kunnen afleiden dat de brief (of welke drager ook) van 27.03.2015 eerder een dreiging met betekening betreft en geen aankondiging van het feit dat de opdracht tot betekening effectief ging gegeven worden. Ik meen dit eveneens te mogen afleiden uit het feit dat U meedeelt dat de [Vlaamse] confrater pas op 31 maart 2015 de grosse heeft besteld. Het voorleggen van minstens deze brief had mogelijk meer duidelijkheid kunnen bieden.

Ervan uitgaande dat de mededeling van 27.03.2015 slechts een dreiging met betekening betreft, meen ik te kunnen besluiten dat mijns inziens de [Vlaamse] advocaat hier een deontologische inbreuk begaat. Om te voldoen aan de regel van artikel III.2.1.10 van de Codex had hij ten laatste op 29.04.2015 zijn [Waalse] confrater moeten meedelen dat hij effectief opdracht ging geven of gaf aan de gerechtsdeurwaarder om over te gaan tot betekening. Hoe dan ook had de [Vlaamse] confrater na 8 april 2015 nogmaals aan zijn tegenstrever moeten melden dat er betekend werd, al dan niet met verwijzing naar het feit dat aan zijn voorwaarde gesteld in zijn vorige brief niet was voldaan.

De vraag rijst vervolgens wat de gevolgen hiervan zijn.

Ik ben van oordeel dat een stafhouder niet de bevoegdheid heeft om aan een partij op te leggen te verzaken aan het voordeel van de betekening van een vonnis (Luik 17 november 2003, JLMB 2005, 408; Rb. Brugge 22 maart 2013, TGR 2013, 259.).

De loyaliteit gebiedt een advocaat alles in het werk te stellen om de nadelige gevolgen van zijn ondeontologisch handelen zoveel mogelijk teniet te doen. In gevallen waarin een vonnis wordt betekend met miskenning van artikel III.2.1.10 kan de stafhouder daarom de betrokken advocaat opleggen alles in het werk te stellen om zijn cliënt ervan te overtuigen te verzaken aan het voordeel van de betekening. Hij zou ook, indien hoger beroep wordt aangetekend (zoals in casu het geval is), de betrokken advocaat kunnen verbieden op te treden in graad van beroep, indien zijn cliënt niet verzaakt aan de betekening, maar verder lijkt de bevoegdheid van een stafhouder niet te reiken. Onder de OBFG-reglementering is het de stafhouder toegelaten de advocaat die laat betekenen zonder de regels ervan in acht te nemen, de kosten van de betekening te laten dragen (artikel 6.19 van de OBFG codex: “Sans préjudice de la mise en cause de sa responsabilité, les frais de la signification et de l’exécution peuvent être mis à charge de l’avocat qui y a fait procéder si la signification ou l’exécution ont été faites sans l’avis préalable prescrit à l’article précédent. ».) In de mate dat de OBFG- reglementering minder ingrijpend is dan de OVB-Codex op dit punt, zou deze minder ingrijpende beslissing ook overwogen kunnen worden. Indien men inzake blijft zal de animositeit tussen raadslieden in ieder geval zwaar kunnen oplopen.

Jacques Van Malleghem

Bestuurder departement deontologie


Ook interessant

Advies 771

Meer lezen

Advies 773

Meer lezen

Gerelateerd nieuws

Deze berichten verschenen recent:
Tucht

Stel u kandidaat voor het College van Toezicht

Heeft u interesse in de deontologie en het tuchtrecht van de advocatuur? Stel u dan kandidaat om deel uit te maken van het College van Toezicht.

Meer lezen
Tucht

Zesde verslag College van Toezicht beschikbaar

Het College van Toezicht van de Vlaamse advocatuur heeft zijn zesde verslag gepubliceerd. Dat geeft een overzicht van de tuchtprocedures tegen Nederlandstalige advocaten in het gerechtelijk jaar dat loopt van 1 september 2024 tot 31 augustus 2025.

Meer lezen
Deontologie Stage

Nieuwe regels voor de stage vanaf 1 september 2026

Onze algemene vergadering keurde op 24 juni 2026 een grondige herziening goed van Hoofdstuk 1 van Deel II van de Codex Deontologie voor Advocaten (stage). Lees wat er wijzigt.

Meer lezen
Deontologie

Deontologische gedragslijnen voor onderzoekshandelingen door advocaten

Advocaten moeten hun deontologie en de toepasselijke wetsbepalingen naleven wanneer ze als onderdeel van hun beroepsactiviteiten onderzoekshandelingen uitvoeren. Lees onze deontologische gedragslijnen.

Meer lezen
Deontologie

OVB herziet essentiële plichten van de advocaat

Op 27 mei 2026 keurde de algemene vergadering van de OVB het reglement goed over de herziening van deel I van de Codex Deontologie voor Advocaten. Dat deel bevat de essentiële plichten van de advocaat. De herziening maakt deel uit van een bredere evaluatie waarbij de bepalingen werden getoetst aan hun actualiteitswaarde, duidelijkheid en evenredigheid.

Meer lezen
Tucht

Sterke opkomst en actuele thema’s op zesde editie Seminarie Tucht

Op donderdag 21 mei 2026 vond in Antwerpen de zesde editie van het Seminarie Tucht plaats. Het seminarie bracht opnieuw een groot aantal actoren uit de tuchtprocedure samen, waaronder stafhouders, leden van de tuchtraden en ondersteunende medewerkers.

Meer lezen
Deontologie

Algemene vergadering keurt vernieuwd werkingsreglement goed

Op 25 februari 2026 heeft onze algemene vergadering een volledig herwerkt werkingsreglement goedgekeurd.

Meer lezen
Deontologie

Limburgse advocate weggelaten wegens helpen in restaurant: hoe zit dat eigenlijk?

Er is opschudding ontstaan over de beslissing tot weglating van de Limburgse advocate die meewerkt in het restaurant van haar man. Er is gebleken dat er nogal wat verwarring daarrond bestaat, en ook kritiek op de beslissing.

Meer lezen
Deontologie Opleidingsinstituut

Voortaan jaarlijks twee verplichte vormingspunten: één in deontologie, één in witwaspreventie

Sinds 2 oktober 2025 geldt een nieuwe verplichting voor elke advocaat: jaarlijks minstens één vormingspunt behalen in deontologie én één in witwaspreventie.

Meer lezen