Ga verder naar de inhoud

Deontologie-advies Advies 487

De vraag rijst of de advocaat een aparte brief moet versturen naar zijn confrater met de mededeling dat hij haar gerechtsdeurwaarder instructie tot betekening heeft gegeven. Een advocaat heeft duidelijk in zijn brief van 19.11.2013 geschreven dat er een mogelijkheid was tot onderhandeling, maar dat hij bij gebreke aan akkoord op het einde van de maand zou overgaan tot betekening. Zijn tegenstrever kon zijn cliënt vragen om een regelingsvoorstel te doen of om hem te berichten zodra het vonnis betekend was. Hij diende hierbij extra voorzichtig te zijn en zijn cliënt erop te wijzen dat een mogelijke betekening kort nabij was, waardoor de beroepstermijn begint te lopen - hoewel de advocaat zijn confrater best in kennis stelde van de (opdracht tot) betekening, lijkt de ‘sanctie’ van het verzaken aan het voordeel van de betekening in casu buiten proportie. De advocaat kon immers weten dat eind november – begin december 2013 het vonnis zou betekend worden bij gebreke aan reactie van zijnentwege.

Auteur

Dominique Dombret

Coördinator deontologie en tucht
Dominique Dombret 02

Deel dit artikel

Vraag

Twee stafhouders vragen advies met betrekking tot volgend probleem.

Op 10.09.2013 veroordeelde de rechtbank van eerste aanleg te … A (cliënt van mr. W – mr. X van de balie van A) tot het betalen van een bedrag van € 38.334,43 aan B (cliënt van mr. Y / Z van de balie van B).

Op 12.09.2013 maakt mr. Z de afrekening over aan mr. W:

“(…)

Mag ik u vragen mij het standpunt van uw cliënt mee te delen inzake de uitspraak.

Ingeval van berusting verwacht ik betaling der gelden op mijn derdenrekening, minstens en aanvaardbaar regelingsvoorstel.”

Op 14.10.2013 stuurde mr. Z een rappel naar mr. W en schrijft hij:

“Bij gebreke van reactie voor het einde van de maand zal het vonnis worden betekend.”

Bij brief van 18.10.2013 maakt mr. X vertrouwelijk een voorstel tot regeling over: de heer A is bereid tot het betalen van een bedrag van € 8.000 tot slot van alle rekeningen. Verder schrijft ze:

“Gelieve te laten weten of B hiermee akkoord gaat. Bij gebreke aan akkoord tegen 4 november, zullen wij hoger beroep aantekenen.”

Op 19.11.2013 antwoordt mr. Z (van het kantoor van mr. Y) aan mr. W:

“Uw voorstel om deze zaak te regelen mits een betaling van 8.000 euro is totaal onaanvaardbaar."

Mijn cliënte is wel bereid een ernstig regelingsplan in overweging te nemen, waarbij de intresten, lopende gedurende de afbetalingen, kunnen worden kwijtgescholden.

Uiteraard is ook dit voorstel vertrouwelijk.

Bij gebreke van een akkoord zal ik op het einde van deze maand overgaan tot betekening van het vonnis.”

Op 03.12.2013 werd het vonnis aan de heer A betekend.

Tevens op 03.12.2013 stuurt mr. X een brief per fax naar mr. Z:

“In bovenvermeld dossier noteren wij dat u niet akkoord gaat met ons geformuleerd voorstel.

Wij zullen dan ook hoger beroep aantekenen tegen het eerste vonnis.

Gelieve geen kosten te willen maken voor betekening.”

Dit faxbericht werd ontvangen op het kantoor van mr. Z – Y op 03.12.2013 om 14u39.

Op 10.02.2014 legt mr. W een verzoekschrift tot hoger beroep neer.

Bij brief van 12.02.2014 deelt mr. Z aan mr. W mee dat het beroep laattijdig is gelet op de betekening op 03.12.2013.


Hierop reageert mr. X per e-mail van 13.02.2014:

“(…)

Wij hadden u laten weten dat er hoger beroep zou worden aangetekend en u gevraagd om geen kosten tot betekening te maken. Het is allerminst deontologisch dat u desalniettemin overgaat tot betekening, zelfs zonder ons hiervan te verwittigen.

Wij overwegen dan ook om dit voor te leggen aan de stafhouder.”


Advies

Artikel 10, al. 1 en al. 3 van het reglement van 31 januari 2007 betreffende de aan procedures verbonden regels van confraterniteit luidt als volgt:

“Vooraleer tot betekening en ten uitvoerlegging van een gerechtelijke beslissing te laten overgaan, nodigt de advocaat zijn tegenstrever uit tot vrijwillige uitvoering en/of berusting en verleent hij hem hiertoe een redelijke termijn.

(…)

[De advocaat geeft steeds aan de betrokken advocaten kennis van het feit dat hij opdracht geeft om een gerechtelijke beslissing te laten betekenen en dit uiterlijk gelijktijdig met deze opdracht.]

Er bestaat weinig discussie over de vraag of mr. Y artikel 10, al. 1 van het reglement heeft nageleefd. Uit de brieven van 12.09.2013 (de afrekening) en 14.10.2013 (de rappelbrief) van mr. Z aan mr. W blijkt dat aan artikel 10, al. 1 van het reglement werd voldaan.

De vraag rijst echter of mr. Y artikel 10, al. 3 van het reglement correct heeft toegepast.

Mr. X verwijst in dit verband naar de interpretatie van deze bepaling zoals opgenomen in advies nr. 363 van het departement deontologie van de Orde van Vlaamse Balies:

“Het laatste lid van artikel 10 werd gewijzigd op 18 juni 2008. (…)

De wijziging van het reglement van 18 juni 2008 had precies als voorwerp te benadrukken dat de advocaat weldegelijk een dubbele verplichting heeft. Overeenkomstig het eerste lid van artikel 10 moet hij eerst de advocaat van zijn tegenstrever uitnodigen tot vrijwillige uitvoering of berusting en moet hij hem daartoe een redelijke termijn geven. Het derde lid van artikel 10 voegt daaraan toe dat de advocaat de andere betrokken advocaten steeds in kennis moet stellen van het feit dat hij opdracht geeft om een gerechtelijke beslissing te laten betekenen. Hij moet dit doen uiterlijk gelijktijdig met deze opdracht. Omdat over deze interpretatie van de tekst onder de oude redactie van het derde lid twijfel rees, werd de tekst van het derde lid aangepast.

Een advocaat die na het vonnis zijn tegenstrever uitnodigt om te zorgen voor vrijwillige regeling binnen een bepaalde termijn en daarbij aankondigt dat hij na deze termijn zal overgaan tot betekening en uitvoering, voldoet aan het eerste lid van artikel 10, maar nog niet aan het derde lid. Het is uitdrukkelijk de bedoeling van artikel 10 dat de advocaat een tweede brief schrijft, wanneer hij effectief aan de gerechtsdeurwaarder opdracht geeft om over te gaan tot betekening.” (eigen onderlijning)

In de brief van 14.10.2013 kondigt mr. Z voor het eerst aan dat hij het vonnis zal laten betekenen bij gebreke aan reactie voor het einde van de maand oktober.

Hierop reageerde mr. X op 18.10.2013 met een regelingsvoorstel. Indien de tegenpartij hiermee tegen 04.11.2013 niet akkoord gaat, kondigde mr. X aan dat zij hoger beroep zal aantekenen.

Op 19.11.2013 deelt mr. Z mee dat het voorstel onaanvaardbaar is en doet een tegenvoorstel. Bij gebreke aan een akkoord schrijft hij dat hij op het einde van de maand november zal overgaan tot betekening van het vonnis.

Op 03.12.2013 heeft hij dan ook het vonnis betekend. Diezelfde dag kondigt mr. X aan beroep aan te tekenen en vraagt geen kosten voor betekening te willen maken.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat mr. Y / mr. Z deze fax op 03.12.2013 om 14u39 heeft ontvangen. Uit de brief van stafhouder … d.d.18.03.2014 blijkt dat mr. Y op 02.12.2013 opdracht tot betekening heeft gegeven aan haar gerechtsdeurwaarder, die het daags nadien heeft uitgevoerd.

Mr. Y kan dan ook niet verweten worden geen gevolg te hebben willen geven aan het verzoek van mr. X om geen kosten voor betekening te willen maken.

Verder rijst de vraag of mr. Y een aparte brief diende te versturen naar mr. X met de mededeling dat ze haar gerechtsdeurwaarder instructie tot betekening heeft gegeven.

De laatste brief waarin mr. Z aankondigde om over te gaan tot betekening dateert van 19.11.2013. Hierin kondigde hij aan dat hij bij gebreke aan akkoord zou betekenen op het einde van de maand. Dit is ongeveer slechts elf dagen later.

Stafhouder x leidt uit de brief van 19.11.2013 af dat er nog een mogelijkheid tot onderhandelen was. Dit was ook zo, maar – zoals aangegeven door mr. Y / mr. Z - met een duidelijke grens tot het einde van de maand november. Indien de cliënt van mr. X nog wenste te onderhandelen, had zij dit kunnen meedelen aan mr. Y, zodat zij hiermee rekening kon houden voor een eventuele betekening. Maar dit is dus niet gebeurd.

Verder stelt stafhouder x dat het voorzichtiger zou geweest zijn dat mr. Y mr. W / mr. X in kennis had gesteld van de betekening, zodat hij zijn cliënt kon vragen om ofwel een regelingsvoorstel te doen, ofwel hem te berichten zodra het vonnis was betekend. Stafhouder x schrijft op 18.03.2014 aan stafhouder y:

“Door mr. W niet te hebben verwittigd, bleef deze in het ongewisse en kreeg hij de indruk dat er nog kon onderhandeld worden.”

Mr. Z heeft duidelijk in zijn brief van 19.11.2013 geschreven dat er een mogelijkheid was tot onderhandeling, maar dat hij bij gebreke aan akkoord op het einde van de maand zou overgaan tot betekening. Mr. W / mr. X kon zijn cliënt wel degelijk vragen om een regelingsvoorstel te doen of om hem te berichten zodra het vonnis betekend was. Hij diende hierbij extra voorzichtig te zijn en zijn cliënt erop te wijzen dat een mogelijke betekening kort nabij was, waardoor de beroepstermijn begint te lopen.

Mr. X vraagt dat mr. Y zou verzaken aan het voordeel van de betekening van het vonnis.

Hoewel mr. Y mr. X best in kennis stelde van de (opdracht tot) betekening, lijkt mij de ‘sanctie’ van het verzaken aan het voordeel van de betekening in casu buiten proportie. Mr. X kon immers weten dat eind november – begin december 2013 het vonnis zou betekend worden bij gebreke aan reactie van harentwege. Mr. X diende haar cliënt enerzijds te waarschuwen voor de korte periode van mogelijke onderhandeling en anderzijds erop te wijzen dat hij haar moest verwittigen indien het vonnis effectief betekend zou zijn, waardoor de beroepstermijn begint te lopen.

Edward Janssens

Bestuurder departement deontologie


Ook interessant

Advies 773

Meer lezen

Advies 769

Meer lezen

Gerelateerd nieuws

Deze berichten verschenen recent:
Tucht

Stel u kandidaat voor het College van Toezicht

Heeft u interesse in de deontologie en het tuchtrecht van de advocatuur? Stel u dan kandidaat om deel uit te maken van het College van Toezicht.

Meer lezen
Tucht

Zesde verslag College van Toezicht beschikbaar

Het College van Toezicht van de Vlaamse advocatuur heeft zijn zesde verslag gepubliceerd. Dat geeft een overzicht van de tuchtprocedures tegen Nederlandstalige advocaten in het gerechtelijk jaar dat loopt van 1 september 2024 tot 31 augustus 2025.

Meer lezen
Deontologie Stage

Nieuwe regels voor de stage vanaf 1 september 2026

Onze algemene vergadering keurde op 24 juni 2026 een grondige herziening goed van Hoofdstuk 1 van Deel II van de Codex Deontologie voor Advocaten (stage). Lees wat er wijzigt.

Meer lezen
Deontologie

Deontologische gedragslijnen voor onderzoekshandelingen door advocaten

Advocaten moeten hun deontologie en de toepasselijke wetsbepalingen naleven wanneer ze als onderdeel van hun beroepsactiviteiten onderzoekshandelingen uitvoeren. Lees onze deontologische gedragslijnen.

Meer lezen
Deontologie

OVB herziet essentiële plichten van de advocaat

Op 27 mei 2026 keurde de algemene vergadering van de OVB het reglement goed over de herziening van deel I van de Codex Deontologie voor Advocaten. Dat deel bevat de essentiële plichten van de advocaat. De herziening maakt deel uit van een bredere evaluatie waarbij de bepalingen werden getoetst aan hun actualiteitswaarde, duidelijkheid en evenredigheid.

Meer lezen
Tucht

Sterke opkomst en actuele thema’s op zesde editie Seminarie Tucht

Op donderdag 21 mei 2026 vond in Antwerpen de zesde editie van het Seminarie Tucht plaats. Het seminarie bracht opnieuw een groot aantal actoren uit de tuchtprocedure samen, waaronder stafhouders, leden van de tuchtraden en ondersteunende medewerkers.

Meer lezen
Deontologie

Algemene vergadering keurt vernieuwd werkingsreglement goed

Op 25 februari 2026 heeft onze algemene vergadering een volledig herwerkt werkingsreglement goedgekeurd.

Meer lezen
Deontologie

Limburgse advocate weggelaten wegens helpen in restaurant: hoe zit dat eigenlijk?

Er is opschudding ontstaan over de beslissing tot weglating van de Limburgse advocate die meewerkt in het restaurant van haar man. Er is gebleken dat er nogal wat verwarring daarrond bestaat, en ook kritiek op de beslissing.

Meer lezen
Deontologie Opleidingsinstituut

Voortaan jaarlijks twee verplichte vormingspunten: één in deontologie, één in witwaspreventie

Sinds 2 oktober 2025 geldt een nieuwe verplichting voor elke advocaat: jaarlijks minstens één vormingspunt behalen in deontologie én één in witwaspreventie.

Meer lezen