Deontologie-advies Advies 392
Het is niet onconfraterneel om een vonnis of een arrest te betekenen. Er moet een redelijke termijn gegeven worden aan de tegenpartij om vrijwillig te regelen, maar deze termijn kan niet blijvend worden getrokken - artikel 10 van het reglement confraterniteit: de advocaat geeft steeds aan de betrokken advocaten kennis van het feit dat hij opdracht geeft om een gerechtelijke beslissing te laten betekenen en dit uiterlijk gelijktijdig met deze opdracht - het woord “steeds” duidt erop dat de advocaat zijn tegenstrever moet verwittigen van het feit dat hij het vonnis of arrest ter betekening overmaakt aan de gerechtsdeurwaarder, ook wanneer hij vooraf reeds had aangekondigd dat hij dit zou doen bij gebreke van betaling binnen een bepaalde termijn - kennisgeving “uiterlijk” gelijktijdig met de opdracht: zo vermijden dat een advocaat die verwittigt dat hij betekent en slechts enkele dagen later de opdracht aan de gerechtsdeurwaarder overmaakt, een inbreuk pleegt op het reglement. Er mag evenwel geen langere periode zitten tussen de aankondiging van de betekening en de opdracht daartoe, omdat anders de tegenstrever dreigt te worden misleid - een advocaat mag laten overgaan tot betekening wanneer hij geen door de tegenpartij zelf ondertekende akte van berusting heeft bekomen.
Auteur
Dominique Dombret
Vraag
Mr. X van de balie A en mr. Y van de balie B zijn tegenstrevers.
Na een arrest d.d. 24 juni 2009 van het hof van beroep te … vraagt mr. X aan mr. Y bij brief van 2 juli 2009 een akte van berusting en betaling van de rechtsplegingsvergoeding en dit tegen 31 juli 2009. Hij schrijft dat hij bij gebreke daarvan zal overgaan tot betekening en uitvoering.
Op 28 juli 2009 is er een brief van mr. Y aan mr. X, een brief waarvan ik evenwel geen kopie heb. Uit het antwoord van 30 juli 2009 van mr. X meen ik te kunnen afleiden dat mr. Y vroeg of de cliënt van mr. X bereid was afstand te doen van de rechtsplegingsvergoeding. In de brief van 30 juli 2009 dringt mr. X aan op betaling en hij laat weten de expeditie te bestellen en over te gaan tot betekening en uitvoering. Uiteindelijk bestelt mr. X de expeditie slechts bij brief van 27 augustus 2009.
Bij brief van 1 september 2009 laat mr. Y aan mr. X weten dat zijn cliënten hem mondeling lieten weten geen cassatievoorziening te overwegen. Hij vraagt op welke rekening de kosten mogen worden gestort en vraagt ook geen bijkomende uitvoeringskosten te maken. Op 2 september 2009 antwoordt mr. X dat de gelden mogen worden gestort op zijn derdenrekening.
Bij brief van 4 september 2009 vraagt mr. X ook de betaling van de kosten van de expeditie, die hij ondertussen heeft ontvangen.
Op 14 september 2009 maakt mr. X de expeditie van het arrest aan de gerechtsdeurwaarder over ter betekening. Het arrest wordt betekend op 17 september 2009.
Blijkens een stuk dat mr. Y later bijbrengt had de gemeente op 15 september 2009 een opdracht tot betalen gegeven met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding (niet de kosten van expeditie). Uiteindelijk werd dit bedrag betaald op 13 oktober 2009. Mr. Y betwist dat zijn cliënt de kosten van betekening moet betalen.
Het is mij niet geheel duidelijk of de kosten van de expeditie werden betaald, maar ik denk van niet.
Advies
Mr. Y argumenteert dat hij bij brief van 1 september 2009 duidelijk liet weten dat zijn cliënte berustte en dat de rechtsplegingsvergoeding zou worden betaald. Hij stelt tevens dat hij in deze brief uitdrukkelijk vroeg geen bijkomende uitvoeringskosten te maken.
Terecht verwijzen partijen naar artikel 10 van het reglement betreffende de aan procedures verbonden regels van het confraterniteit van 31 januari 2007.
Dit artikel bepaalt vooreerst dat de advocaat vooraleer tot betekening en tenuitvoerlegging over te gaan zijn tegenstrever moet uitnodigen tot vrijwillige uitvoering en/of berusting en hem daartoe een redelijke termijn moet geven.
Er is bewust niet gekozen voor een vaste termijn, omdat een “redelijke” termijn kan variëren van zaak tot zaak.
In deze zaak heeft mr. X vrijwillige betaling van de rechtsplegingsvergoeding gevraagd bij brieven van 2 en 30 juli 2009. In zijn eerste brief van 2 juli 2009 verzocht hij om betaling tegen 31 juli 2009, wat als een redelijke termijn kan worden aanzien.
Nadat mr. Y hem aanschreef op 28 juli 2009 (brief die niet bij de stukken zit) heeft mr. X opnieuw aangedrongen op betaling bij brief van 30 juli 2009, weliswaar opnieuw tegen 31 juli 2009, maar uiteindelijk heeft hij slechts expeditie van het arrest besteld bij brief van 27 augustus 2009. Op dat ogenblik was bijna twee maand verstreken, wat zeker kan worden beschouwd als een redelijke termijn.
Het is juist dat mr. Y bij brief van 1 september 2009 liet weten dat zijn cliënte berustte en dat de rechtsplegingsvergoeding zou worden betaald, maar mr. X heeft daarop bij brief van 4 september geantwoord, enerzijds dat de kosten van de expeditie moesten worden toegevoegd en anderzijds: “Indien er geen onmiddellijke betaling volgt van de toegekende rechtsplegingsvergoedingen, vermeerderd met de expeditierechten t.b.v. € 19,95, ga ik onverwijld over tot betekening”. Vanaf dat ogenblik heeft mr. X nog tien dagen gewacht om de expeditie over te maken aan de gerechtsdeurwaarder, die het arrest drie dagen later betekende.
Men moet vaststellen dat op het ogenblik van de betekening de kosten nog steeds niet waren betaald.
Het is niet onconfraterneel om een vonnis of een arrest te betekenen. Er moet een redelijke termijn gegeven worden aan de tegenpartij om vrijwillig te regelen, maar deze termijn kan niet blijvend worden getrokken. Niet voor niets luidt het eerste lid van artikel 1 van het reglement betreffende de aan procedures verbonden regels van confraterniteit:
“Met inachtneming van de wet en de deontologische regels is de advocaat steeds verplicht de belangen van zijn cliënt zo goed mogelijk te behartigen en deze zelfs te stellen boven zijn eigen belangen of deze van andere advocaten.”
Het komt mij voor dat mr. X lang genoeg geduld had geoefend, zodat hij niet onconfraterneel handelde wanneer hij na drie vragen tot betaling op respectievelijk 2 juli 2009, 30 juli 2009 en 4 september 2009 en dan nog eens tien dagen te hebben gewacht het arrest ter betekening overmaakte aan zijn gerechtsdeurwaarder.
Artikel 10 van het reglement bepaalt ook dat de advocaat steeds aan de betrokken advocaten kennis geeft van het feit dat hij opdracht geeft om een gerechtelijke beslissing te laten betekenen en dit uiterlijk gelijktijdig met deze opdracht.
Bij de totstandkoming van deze bepaling is er is lang discussie gevoerd over de bewoordingen ervan.
Het woordje “steeds” duidt erop dat de advocaat zijn tegenstrever moet verwittigen van het feit dat hij het vonnis of arrest ter betekening overmaakt aan de gerechtsdeurwaarder, ook wanneer hij vooraf reeds had aangekondigd dat hij dit zou doen bij gebreke van betaling binnen een bepaalde termijn.
De algemene vergadering van de OVB heeft er ook uitdrukkelijk voor gekozen te bepalen dat deze verwittiging “uiterlijk” gelijktijdig met de opdracht moest gebeuren en dus niet noodzakelijk “gelijktijdig”. Men wilde daarmee vermijden dat een advocaat die verwittigt dat hij betekent en de opdracht aan de gerechtsdeurwaarder slechts enkele dagen later overmaakt een inbreuk pleegt op het reglement. Er mag evenwel geen langere periode zitten tussen de aankondiging van de betekening en de opdracht daartoe, omdat anders de tegenstrever dreigt te worden misleid.
Mr. X heeft niet voldaan aan deze regel. Om te voldoen aan deze regel had hij op 14 september 2009 ook een brief moeten zenden naar mr. Y met de boodschap dat hij opdracht had gegeven aan de gerechtsdeurwaarder om te laten overgaan tot betekening. De brief van 4 september was overigens nog steeds een dreiging met betekening en geen aankondiging van het feit dat effectief opdracht was gegeven tot betekening.
Deze inbreuk op het reglement is evenwel zeer marginaal in het licht van het feit dat mr. X op 4 september minstens ook reeds zijn duidelijke intentie had aangekondigd om te laten overgaan tot betekening bij gebreke van onmiddellijke betaling. Mr. Y en zijn cliënt konden dus niet geheel verrast zijn door de betekening.
Had mr. X deze brief geschreven, dan zou dit wellicht niets veranderd hebben aan de zaak. Mr. Y zou eventueel kunnen gevraagd hebben om toch nog wat geduld te oefenen, maar zoals hierboven uiteengezet, zou het in hoofde van mr. X niet onconfraterneel geweest zijn daar niet op in te gaan.
Ik ben dienvolgens van oordeel dat de uitvoeringskosten niet moeten worden gedragen door mr. X.
Voor de volledigheid verwijs ik ook naar de argumentatie dat mr. X ook mocht overgaan tot betekening omdat hij nog geen akte van berusting had ontvangen. Ik verwijs naar de eerdere adviezen dienaangaande, o.m. nr. 361. Een advocaat mag laten overgaan tot betekening wanneer hij geen door de tegenpartij zelf ondertekende akte van berusting heeft bekomen. Geheel terecht merkt mr. Y op dat mr. X behalve in zijn aanvankelijke brief van 2 juli 2009 verder niet meer aandrong op het bekomen van een akte van berusting. Dit argument kan hier dus niet nuttig worden aangewend ten voordele van mr. X. Het ging in de briefwisseling enkel nog over de betaling van de kosten, maar gezien deze meer dan twee maanden na de eerste vraag tot betaling nog niet waren betaald, mocht mr. X enkel om deze reden overgaan tot betekening van het arrest.
Philippe De Jaegere
Bestuurder departement deontologie