Deontologie-advies Advies 360
Berusting vergt een bijzonder mandaat - een advocaat mag een door de tegenpartij ondertekende akte van berusting eisen en dient geen genoegen te nemen met een (zelfs niet-vertrouwelijke) brief van zijn confrater. Indien de advocaat van mening is dat een door de tegenpartij ondertekende akte van berusting moet worden gevraagd, dan is dit zijn goed recht en dan primeert het belang van de cliënt boven de confraterniteit begrepen als vertrouwensrelatie tussen advocaten.
Auteur
Dominique Dombret
Auteur
Merve Köse
Vraag
Bij vonnis dd. 20 februari 2009 wordt een vordering van de cliënt van mr. X (balie A) afgewezen. Deze cliënt wordt veroordeeld om een rechtsplegingsvergoeding van 650 euro te betalen aan de cliënt van mr. Y (balie B).
Bij brief van 3 maart 2009 aan mr. X vraagt mr. Y betaling van de rechtsplegingsvergoeding verhoogd met de kosten van de expeditie en hij voegt daaraan toe:
“Behoudens berichten uwerzijds binnen de 14 dagen vanaf heden over al dan niet berusting, laat ik betekenen”.
Bij brief van 9 maart 2009 antwoordt mr. X dat de termijn van 14 dagen te kort is, omdat hijzelf slechts het vonnis begin maart ontvangen had en de cliënt de tijd moet hebben om een en ander nader na te kijken.
Bij brief van 12 maart 2009 antwoordt mr. Y dat hij de termijn verlengt tot 31 maart 2009, maar dat hij hoe dan ook aandringt op betaling van de kosten van expeditie.
Bij brief van 16 maart 2009 laat mr. X weten dat zijn cliënte zal berusten in het tussengekomen vonnis en dat hij zijn cliënte vraagt de rechtsplegingsvergoeding te storten op de derdenrekening van mr. Y.
Bij brief van 19 maart 2009 schrijft mr. Y:
“Kan u officiële berustingsakte van uw cliënte bezorgen en haar ook effectief vragen de kosten van de expeditie mee te storten, bij gebreke waaraan ik ofwel de tussenkomst van de stafhouder dien te vragen ofwel het vonnis te laten betekenen?”
Op 24 maart 2009 antwoordt mr. X:
“Per onderhavig officieel schrijven kan ik u bevestigen dat mijn cliënte geen beroepsprocedure zal instellen en derhalve ten definitieve titel zal berusten in het tussengekomen vonnis van de politierechtbank te … dd. 20 februari 2009”.
Verder in deze brief betwist mr. Y dat zijn cliënte de kosten van expeditie verschuldigd is omdat hij reeds bij brief van 16 maart 2009 liet weten dat zijn cliënte zou berusten, dit is binnen de aanvankelijke termijn van 14 dagen vooropgesteld in de brief van 3 maart 2009. Mr. X kondigt ook nogmaals de betaling van de rechtsplegingsvergoeding aan.
Er volgt een antwoord van mr. Y op 27 maart 2009, waarin mr. Y verwijst naar een meegezonden uittreksel uit het boek van stafhouder Stevens en naar het advies nr. 34 van de OVB.
Hij eindigt met de woorden:
“Ik vraag het nog een laatste maal: gelieve de kosten van de expeditie of 7,50 euro en een door uw cliënt ondertekende berustingsakte te laten geworden.”
Mr. X antwoordt op 1 april 2009:
“Hoewel ik het absoluut niet eens ben met uw verzoek om de kosten van de expeditie ten bedrage van 7,50 euro te betalen en er evenveel rechtspraak kan worden aangehaald die mijn standpunt ondersteunen, zal ik mijn cliënte, om een kort proces te maken, uitnodigen dit minieme bedrag te betalen.
Mag ik u dan ook vriendelijk verzoeken mij het betalingsbewijs van deze kosten te willen bezorgen?
Wat uw herhaalde vraag tot overmaken van de berustingsakte betreft, ben ik van oordeel dat mijn officieel schrijven van 24 maart 2009 kan volstaan en dit schrijven werd officieel bevestigd, wat ik u reeds op 16 maart 2009 meedeelde.”
Bij brief van 10 april 2009 liet mr. Y mr. X weten dat de expeditie aan de deurwaarder was bezorgd ter betekening.
Het vonnis werd betekend op 23 april 2009.
Advies
De discussie gaat er thans over of de cliënt van mr. X gehouden is de kosten van betekening te betalen, dan wel of mr. Y ten onrechte liet overgaan tot betekening van het vonnis en op deontologische gronden kan verplicht worden zelf deze kosten te dragen.
Met betrekking tot de principes kan ik verwijzen naar het advies nr. 34, waarnaar mr. Y overigens zelf ook heeft verwezen in zijn briefwisseling met mr. X en dit vooraleer over te gaan tot betekening.
Het mandaat ad litem van de advocaat houdt niet in dat de advocaat mandaat heeft om te berusten. Berusting vergt een bijzonder mandaat.
Om die reden en omwille van het feit dat in de rechtspraak betaling niet automatisch wordt gelijkgesteld met berusting mag een advocaat een door de tegenpartij ondertekende akte van berusting eisen en dient hij geen genoegen te nemen met een brief van zijn confrater, zelfs wanneer deze niet-vertrouwelijk is.
Dit gezegd zijnde, is het wederzijds vertrouwen tussen advocaten gelukkig van die aard dat een advocaat veelal wel genoegen kan nemen met een berusting via de advocaat.
Er bestaat evenwel geen deontologische regel die een advocaat verplicht genoegen te nemen met een berusting door de advocaat. Indien de advocaat van mening is dat - in het belang van zijn cliënt - een door de tegenpartij ondertekende akte van berusting moet worden gevraagd, dan is dit zijn goed recht en dan primeert het belang van de cliënt boven de confraterniteit begrepen als vertrouwensrelatie tussen advocaten.
Men kan begrijpen dat mr. X moeilijk kan aanvaarden dat mr. Y een akte van berusting eist van een verzekeringsmaatschappij, nadat de advocaat van deze verzekeringsmaatschappij bij officieel schrijven heeft laten weten dat zijn cliënte zal berusten, maar mr. X kan niet stellen dat hij onvoldoende werd verwittigd. Mr. Y heeft aangedrongen op een akte van berusting, ook nadat mr. X tweemaal had geschreven dat zijn cliënte zou berusten (daarbij valt op dat mr. X telkens schrijft dat zij cliënte "zal" berusten, wat toch iets anders is dan te schrijven dat zijn cliënte berust). Mr. X is koppig blijven vasthouden aan zijn standpunt dat een akte van berusting niet noodzakelijk was en mr. Y is koppig blijven vasthouden aan zijn eis tot het voorleggen van een akte van berusting. De betekening is daarvan een gevolg.
Gezien mr. Y het recht had een akte van berusting te eisen, ook vanuit deontologisch oogpunt, kan mr. Y niet verplicht worden de kosten van de betekening te dragen.
Philippe De Jaegere
Bestuurder departement deontologie