Deontologie-advies Advies 340
1. Wanneer een advocaat van kantoor verandert, kan zich steeds een probleem van schending van het beroepsgeheim stellen wanneer de betrokken kantoren zaken tegen elkaar behandelen. Het louter feit dat een advocaat zou meewerken aan de behandeling van een zaak in kantoor A en vervolgens in kantoor B, kan de behandeling van deze zaak beïnvloeden, zonder dat de advocaat in kwestie de beroepsgeheimen waarvan hij kennis kreeg in het kantoor A deelt met advocaten van het kantoor B.
2. De stafhouder kan de advocaat deporteren uit de zaak als bewarende maatregel om een potentiële schending van een deontologische regel te voorkomen - zowel voor de betrokken advocaat als voor zijn cliënt dient de stafhouder de nodige voorzichtigheid aan de dag te leggen en een evenredigheid na te streven tussen de te nemen maatregel en het potentieel gevaar van schending van het beroepsgeheim.
Auteur
Dominique Dombret
Auteur
Merve Köse
Vraag
Mr. X is de raadsman van partij L in een zaak tegen partij G, waarvan mr. Y raadsman is.
De zaak start met briefwisseling in augustus 2008.
Op 1 september 2008 verlaat mr. Z het kantoor van mr. X waar zij medewerker was, om medewerker te worden in het kantoor van mr. Y.
Het is niet betwist dat mr. Z noch in het kantoor van mr. X, noch in het kantoor van mr. Y belast was of is met het kwestieuze dossier.
Wel stelt mr. X dat zijn medewerkster, mr. W, deze zaak in augustus besprak met mr. Z.
Volgens mr. X is er sprake van een belangenconflict en zou mr. Y zich uit de zaak moeten terugtrekken.
U hebt de betrokken advocaten gehoord en ook mr. Z en mr. W. Mr. Z zegt dat zij een gesprek van een twintigtal minuten had met mr. W over principiële vragen in verband met vennootschapsrechtelijke kwesties. Voor zover daarbij de namen van betrokken partijen al zouden gevallen zijn, was zij die in elk geval vergeten. Mr. W beaamt dat de bespreking kort was, maar zegt dat ze wel betrekking had op de in het dossier te volgen strategie. Dit laatste wordt door mr. Z ontkend.
Mr. X en mr. Y hebben uitvoerig hun standpunt toegelicht. Zij halen beiden zinvolle argumenten aan in een kwestie die niet eenvoudig met een zwart-wit-redenering is op te lossen.
Advies
Deze zaak heeft mijns inziens niet zozeer te maken met een belangenconflict, dan wel met de bescherming van het beroepsgeheim.
Wanneer een advocaat van kantoor verandert, kan zich steeds een probleem van schending van het beroepsgeheim stellen wanneer de betrokken kantoren zaken tegen elkaar behandelen. Daarbij is de schending van het beroepsgeheim niet enkel een kwestie van goede of kwade trouw van de betrokken advocaat. Het louter feit dat een advocaat zou meewerken aan de behandeling van een zaak in kantoor A en vervolgens in kantoor B, kan de behandeling van deze zaak beïnvloeden, zonder dat de advocaat in kwestie de beroepsgeheimen waarvan hij kennis kreeg in het kantoor A deelt met advocaten van het kantoor B.
Er is dus in dergelijke situaties steeds een potentiële schending van het beroepsgeheim.
Het is duidelijk dat om die reden mr. Z niet mag meewerken in het kwestieuze dossier. Ik noteer dat mr. Y op uw kantoor formeel en in aanwezigheid van mr. X heeft bevestigd dat dit niet geval was en ook in de toekomst niet zou zijn.
De vraagt blijft of de loutere potentiële schending van het beroepsgeheim volstaat om mr. Y in casu te deporteren van de zaak.
De stafhouder heeft de bevoegdheid dit te doen. Het gaat alsdan om een bewarende maatregel om een potentiële schending van een deontologische regel te voorkomen. Het hoeft geen betoog dat een stafhouder bij het nemen van een dergelijke bewarende maatregel, die zeer ingrijpend is, zowel voor de betrokken advocaat als voor zijn cliënt, de nodige voorzichtigheid aan de dag moet leggen en een evenredigheid moet nastreven tussen de te nemen maatregel en het potentieel gevaar van schending van het beroepsgeheim.
In casu lijkt mij dat het gevaar voor een schending van het beroepsgeheim zo klein is dat het buiten verhouding zou zijn om mr. Y en zijn kantoor te bevelen zich uit deze zaak terug te trekken ten aanzien van de cliënt, waarvan mr. Y overigens de gebruikelijke raadsman is. Volgende elementen lijken mij daarvoor van belang:
- mr. Z was in het kantoor van mr. X niet belast met het dossier;
- mr. Z heeft in het kantoor van mr. X nooit rechtstreeks contact gehad met de cliënt van mr. X omtrent dit dossier (zoniet zou in deze zaak ook de perceptie van de cliënt zelf een rol kunnen spelen);
- mr. Z erkent weliswaar dat zij bepaalde juridische aspecten van dit dossier heeft besproken met mr. W, die wel belast was met de behandeling van het dossier, maar uit de bespreking die u had met mr. Z en mr. W blijkt niet dat hierbij geheimen aan bod zouden gekomen zijn, die de behandeling van de zaak ernstig kunnen beïnvloeden;
- zowel mr. Y als mr. Z bevestigen dat mr. Z ook in het kantoor van mr. Y niet zal worden ingeschakeld in de behandeling van het kwestieuze dossier.
Voor zover mr. Z al kennis heeft van beroepsgeheimen i.v.m. dit dossier, dan lijkt een schending van dit beroepsgeheim dermate hypothetisch dat het onttrekken van de zaak bij wijze van bewarende maatregel aan mr. Y en zijn kantoor disproportioneel lijkt.
Philippe De Jaegere
Bestuurder departement deontologie