Deontologie-advies Advies 240
De vrije keuze van advocaat is fundamenteel, maar contractuele beperkingen zijn mogelijk als ze deontologisch verantwoord en proportioneel zijn. De stafhouder kan ingrijpen wanneer zulke afspraken strijdig zijn met de beroepsethiek.
Auteur
Dominique Dombret
Auteur
Merve Köse
Vraag
Er wordt een ontwerp van statuten van een vennootschap van advocaten voorgelegd in welke statuten de volgende clausule te lezen staat :
"Door zijn toetreding tot voorliggende vennootschap verbindt de vennoot er zich jegens de vennootschap toe, tijdens zijn lidmaatschap en gedurende een periode van twee jaren na elke wijze van beëindiging ervan, zich te zullen onthouden van elke werkzaamheid die aan de vennootschap cliënteel of personeelsleden zou (kunnen) onttrekken, met respect voor de vrije keuze van cliënteel.".
De commissie besluit dat door toevoeging van de laatste zinsnede men eigenlijk gelijktijdig warm en koud blaast.
Het is een bepaling die zichzelf opheft omdat zoals ze is geformuleerd, het respect voor de vrije keuze van cliënteel verschijnt als een uitzondering op de bepaling zelf.
Het is uiteindelijk de cliënt die zal beslissen of de bepaling gevolg zal hebben, wat natuurlijk niet uitsluit dat oneerlijke manieren om een cliënteel tot zich te trekken, kunnen veroordeeld worden onder dit beding.
Meer algemeen wordt de vraag gesteld of het principe van vrije keuze voorrang heeft op een contractueel beding dat een advocaat zou verplichten bepaalde concurrentie niet te voeren voor een bepaalde periode.
Advies
Het is zeker zo dat in het verleden werd geacht dat de regel van de deontologische vrijheid van keuze van de cliënt een absolute regel is, en dat de advocaten niet in de mogelijkheid waren daar contractueel een uitzondering op te maken en dus te stellen dat een advocaat zich diende te onthouden van voor cliënteel op te treden die door contractuele bepalingen was voorbehouden aan zijn ex-associés of aan de vennootschap waarvan hij lid was.
De vrijheid van keuze van advocaat behoort tot de uitoefening van de rechten van de verdediging en is dus van openbare orde, stelde de Raad van State op 5 september 1997,nr 67.990, R.C.J.B., 1999, 5, noot LAGASSE, D. ; J.L.M.B., 1997, 1493, noot P.H. ;Brussel, 21 december 1989, J.L.M.B., 938).
Er zijn echter verschillende wijzen van inbreng en vergoeding van cliënteel mogelijk en in sommige omstandigheden is het zeker zo dat het onbillijk zou zijn dat een advocaatdie een vergoeding heeft ontvangen voor zijn cliënteel, dit cliënteel eenvoudig terug mee neemt, zich beroepend op de vrijheid van keuze van cliënteel, en zich dus niets hoeft aan te trekken van contractuele bepalingen die hij onderschreven heeft met zijn vennoten om zijn handen af te houden van het door hem ingebrachte en aan hem
vergoede cliënteel.
Er zijn dan ook heel wat leden van de commissie die geen probleem hebben met contractuele beperkingen onder dergelijke voorwaarden.
Sommigen zien enkel beperkingen aan de mogelijkheid contractueel te bedingen wanneer daar een bijzondere deontologische reden voor bestaat, maar dat voor het overige de vrijheid van contracteren hier de bovenhand moet halen.
De voorzitter duidt aan dat in de Franse wet op het salariaat (de advocaat-bediende) uitdrukkelijk bepaald is, wat als een principe van openbare orde wordt beschouwd, dat er geen niet-concurrentiebeding kan ingeschreven worden in een arbeidscontract met een advocaat-bediende, zodanig dat deze altijd de mogelijkheid heeft om het statuut van bediende te verlaten en een eigen kantoor met eigen cliënteel op te starten.
Dat mag natuurlijk niet gebeuren op een met de goede trouw en de deontologische principes strijdige wijze.
De voorzitter duidt ook het systeem in Nederland aan waar er ter zake een absolute contractvrijheid geldt en derhalve het contract steeds zal primeren.
Er wordt nog opgemerkt dat in Antwerpen een niet-concurrentiebeding niet toegelaten is in stageovereenkomsten, maar dat dit niet aan alle balies zo is.
De zaak zal geval per geval moeten onderzocht worden om te kijken of bepaalde beperkingen in de statuten of in de overeenkomst deontologisch verantwoord zijn en niet overmatig schade toebrengen aan de vrije keuze van het cliënteel.
In ieder geval zijn contractuele bepalingen niet principieel uit te sluiten, maar men moet wel kijken naar de gevolgen en de stafhouder kan verbod opleggen tot uitvoering van contractuele bepalingen die strijdig zijn bevonden met de deontologie of met de algemene principes van de beroepsuitoefening.