- Battonale injunctie
- Vertrouwelijkheid briefwisseling
- Opschorting van straf voor één jaar
Feiten en voorgaanden
De stafhouder stelde dat zijn schrijven aan de advocaat een batonnale injunctie inhield, d.w.z. een bevel dat nageleefd diende te worden op straffe van tuchtvervolging. Hij verduidelijkte nogmaals het standpunt dat hij eerder had ingenomen en eindigde zijn brief als volgt: “Ik sommeer u dus de twee bewuste passages uit uw conclusies te schrappen en wens hiermee deze discussie af te sluiten …”.
Gegrondheid van het hoger beroep
Het hoger beroep heeft nog enkel betrekking op de eis tot schrapping van volgende passage : “Er werden zelfs pogingen ondernomen om trachten de vertrouwelijke briefwisseling voor te leggen om hiermee aan te tonen dat verzoekers zogezegd in gebreke waren gebleven om aan geïntimeerde duidelijk te maken dat de maatregelen ontoereikend waren”.
Art. 473 Ger.W. bepaalt dat de stafhouder de bewarende maatregelen kan nemen die de voorzichtigheid vereist.
Tot deze maatregelen behoort het bevel dat de stafhouder kan opleggen om bepaalde passages in een conclusie te schrappen (cf. J. Stevens, Advocatuur. Regels & Deontologie, Mechelen, Wolter Kluwer, 2015, p. 1216, nr. 1480: “Dergelijke beslissingen zijn in rechte niet afdwingbaar, ze zijn een uiting van het persoonlijke disciplinaire gezag van de stafhouder, doch geenszins van enige disciplinaire rechtsmacht. Er kleeft dus geen gezag van rechtelijk gewijsde aan”).
Het bevel van de stafhouder moet in principe worden nagekomen: het betreft immers een beslissing van een bestuurlijke tuchtoverheid van de balie. Wie deze stafhouderlijke beslissing negeert loopt, zoals in casu is gebeurd, het risico op een tuchtrechtelijke vervolging, waarbij de tuchtraad dan “kan vrijspreken of sanctioneren, rekening houdend met de al dan niet gegronde stellingen van de advocaat, zijn al dan niet oprechte intenties i.v.m. de verdediging van de belangen van zijn cliënt en de concrete omstandigheden van het geval” (Ibidem).
De tuchtraad van beroep oordeelt dat de betwiste passage (“er werden zelfs pogingen ondernomen…) geen betrekking heeft op de grond van de zaak zelf. Deze vermelding draagt op geen enkele wijze bij tot de eigenlijke beoordeling van het geschil. Deze vermelding betreft een louter verwijt dat de advocaat formuleert aan het adres van zijn tegenstrever.
Of dit verwijt, en nl. dat de tegenstrever zich niet correct zou hebben gedragen, al dan niet juist was, kon niet worden beoordeeld door de rechter aan wie de zaak werd voorgelegd. De passage moet worden beschouwd als een vorm van stemmingmakerij, waarbij de persoon van de tegenstrever ad hominem werd geviseerd.
De stafhouder heeft dan ook terecht aan de advocaat het verbod opgelegd om deze passage uit zijn verzoekschrift in hoger beroep te verwijderen. Het kwam de advocaat niet toe om het bevel van de stafhouder naast zich neer te leggen: noch het belang van de cliënt, noch een andere reden kan dit verantwoorden.
De tuchtsanctie
De tuchtraad van beroep oordeelt dat, gelet op de relatieve ernst van de inbreuk, begaan door de advocaat, de omstandigheden waarin deze inbreuk werd begaan, en nl. en o.m. de aard van het geschil en de animositeit die tussen de gedingpartijen bestond, en de afwezigheid van enige tuchtrechtelijk vergrijp in hoofde van de advocaat, die bijna 40 jaar advocaat is, zich thans geen werkelijke sanctie opdringt. De tuchtraad van beroep beveelt de opschorting van de uitspraak voor een termijn van 1 jaar.
Lees ook deze beslissing