- Art. III.5.3.1 (art. 160) Codex Deontologie
- Registratie telefoongesprek
- Aanwenden telefoongesprek zonder kennisgeving
- Schuldinzicht
- Verzoek tot opschorting
- Verhouding feiten en opschorting
- Blanco tuchtrechtelijk verleden
- Berisping
Het bewuste telefoongesprek werd door de advocaat gedeeltelijk geregistreerd via haar GSM-toestel. Betrokkene werd voorafgaandelijk geen kennis gegeven van haar intentie om dit te doen of van het feit dat zij dit in werkelijkheid ook heeft gedaan. De advocaat heeft daarna de bewoordingen uitgeprint en laten officialiseren via een proces-verbaal van vaststelling bij een gerechtsdeurwaarder.
Art. III.5.3.1 (huidig art. 160) van de Codex Deontologie bepaalt duidelijk: “Een advocaat mag rechtstreeks noch onrechtstreeks gesprekken, vergaderingen of zittingen (laten) registeren op geluids- of beelddragers, zonder voorafgaande kennisgeving.”
De advocaat bleek deze bepaling niet te kennen, minstens zich hiervan niet bewust te zijn nu ze ondanks het verzet van haar tegenstrever om dat ‘bewijsstuk’ te gebruiken, haar houding bleef rechtvaardigen en aanvankelijk weigerde om het stuk te verwijderen en om haar conclusies aan te passen.
Dergelijke dubieuze praktijken horen hoegenaamd niet thuis in een rechtmatige, correcte en vertrouwenswaardige bewijsvoering in rechte. De niet aanvaardbare houding druist in tegen het basiselement van het rechtmatig vertrouwen dat zowel tegenover de rechtsmachten, de advocaten onderling, maar ook naar de rechtsonderhorige toe in alle omstandigheden moet heersen in een gedegen rechtsorde.
Gelet op de aard van de feiten doch vooral ook het feit dat de advocaat reeds eerder (een tiental jaren geleden) met dezelfde problematiek werd geconfronteerd toen zij eveneens dergelijke handelswijze had toegepast in een procedure, had haar op zijn minst moeten doen inzien dat dergelijke handelswijze van een advocaat niet kon worden getolereerd en in geen geval voor herhaling vatbaar was. Dit had haar voor de toekomst tot grote voorzichtigheid moeten aanmanen, blijkbaar tevergeefs. Duidelijk heeft zij hieruit niet het passende gevolg getrokken. Toestaan van de gunst van de opschorting staat dan ook niet in een passende verhouding tot deze onaanvaardbare handelswijze.
De tuchtraad houdt er rekening mee dat de advocaat na enig aandringen haar verkeerde houding wel heeft ingezien en dan toch het bewuste proces-verbaal uit haar stukkenbundel heeft verwijderd en de gewraakte passage in haar conclusies heeft gesupprimeerd. Tevens heeft ze een blanco tuchtrechtelijk verleden. De tuchtraad legt de sanctie van de berisping op en verwacht dat de advocaat zich in de toekomst van dergelijke praktijken zal onthouden.
Beslissing
Lees ook deze beslissing