- Onwaardig gedrag
- Berisping
De advocaat voerde een telefoongesprek met de heer X. Een gedeelte van dit gesprek werd opgenomen door de advocaat, zonder dat de heer X dit wist. Het gesprek werd uitgetypt. De geluidsopname en de uitgetypte tekst werden overgemaakt aan de gerechtsdeurwaarder. Deze stelde hiervan proces-verbaal op.
Nadat de advocaat aanvankelijk geweigerd had om dit stuk, nl. dit proces-verbaal, uit de debatten te weren heeft zij dit, na tussenkomst van de stafhouder, toch gedaan.
De advocaat betwist de feiten niet.
De advocaat voert vooreerst aan dat zij onwetend was over de terzake geldende deontologische regels.
De advocaat wordt geacht de codex deontologie voor Advocaten te kennen.
Zij voert dan aan dat de Tuchtraad in zijn beslissing van 19 oktober 2016 ten onrechte verwees naar het gebruik dat zij “reeds eerder (een tiental jaren geleden) met dezelfde problematiek werd geconfronteerd toen zij eveneens een dergelijke handelswijze had toegepast in een procedure voor de rechtbank van koophandel”. De advocaat houdt voor dat haar toen geen tuchtrechtelijke inbreuk werd verweten. Er werd geen tuchtrechtelijke vervolging ingesteld, en, a fortiori, werd zij ook niet tuchtrechtelijk veroordeeld.
Nochtans had een niet mis te verstane terechtwijzing in het vonnis van de rechtbank van koophandel de advocaat er toe moeten aanzetten dergelijke praktijken in de toekomst achterwege te laten. Het feit dat zij n.a.v. deze handelswijze (2005) niet tuchtrechtelijk werd vervolgd verandert hieraan niets.
Het feit dat de advocaat reeds eerder geconfronteerd was geweest met het probleem van het verdoken opnemen van een telefoongesprek had er haar – evident – moeten toe aanzetten om dergelijke onaanvaardbare praktijken, die bovendien uitdrukkelijk worden verboden door de deontologische regels, voortaan achterwege te laten.
De tuchtraad van beroep acht een berisping gepast.