- Confraterniteit
- Kiesheid, waardigheid en rechtschapenheid
- Onafhankelijkheid
- Briefwisseling
- Strafrechtelijke feiten/veroordeling
- Ontvankelijkheid / onontvankelijkheid
In het eerste dossier wordt de advocaat vervolgd wegens misdrijf van laster en eerroof, niet-confraterneel gedrag, niet-opvolgen instructies stafhouder, inbreuken op de verplichting tot waardigheid en kiesheid en niet-naleving van de regels inzake opvolging.
In het tweede dossier wordt de advocaat vervolgd wegens niet confraterneel gedrag, gebrek aan onafhankelijkheid, waardigheid en kiesheid, niet naleven van de regels inzake opvolging en het verwijzen naar gesprekken en briefwisseling met de adjunctstafhouder en stafhouder.
Het is duidelijk dat beide zaken betrekking hebben op dezelfde feiten, die in beide dossiers als inbreuk op dezelfde normen worden vervolgd. Het past dan ook beide dossiers wegens samenhang samen te behandelen.
Bij gebreke aan precisering voor welke van de in die klachten vermelde feiten de advocaat voor de Tuchtraad werd vervolgd en voor welke niet, was de saisine van de tuchtraad onvoldoende afgelijnd en kon de advocaat niet weten wat nu juist het voorwerp was van de tuchtvordering waartegen hij zich moest verweren.
De tuchtvordering in het eerste dossier is dan ook niet ontvankelijk.
De ingestelde tuchtvordering in het tweede dossier steunt op hetzelfde onderzoek dat ook in het eerste dossier werd gevoerd en heeft dezelfde feiten tot voorwerp als deze vermeld in de klachten die reeds door de klager in het eerste dossier aan de stafhouder werden gesignaleerd.
De ingeleide tuchtvordering werd dus ingesteld op een ogenblik waarop reeds voor exact dezelfde feiten een eerdere tuchtvordering aanhangig was, zonder dat eerst van die eerdere tuchtvordering afstand werd gedaan. Daardoor is ook de tuchtvordering in het tweede dossier niet ontvankelijk.