- Derdengelden / derdenrekening
- Ereloon
- Nietigheid tuchtonderzoek
- Overschrijding redelijke termijn
- Schorsing
De advocaat wordt in vier verschillende zaken vervolgd o.a. wegens het niet tijdig doorstorten van derdengelden en voor het niet, minstens niet voldoende, informeren van de cliënt omtrent de wijze waarop de kosten en erelonen worden berekend (art. 19, reglement balie Leuven) en het niet respecteren van de principes van de billijke gematigdheid bij de bepaling van het ereloon zoals bepaald bij art. 446 ter Ger. W.
De tuchtraad oordeelt dat de feiten in de vier zaken samenhangend zijn en besluit ambtshalve om de zaken bij toepassing van artikel 30 Ger. W. samen te voegen.
De advocaat argumenteert dat de tuchtonderzoeken door de stafhouders niet onafhankelijk en onpartijdig zouden zijn gevoerd en dat ze daarom nietig zouden zijn. De tuchtraad wijst dat argument af. Het recht op een eerlijk proces van (art. 6 EVRM) is volgens de tuchtraad niet geschonden en de redelijke termijn is niet overschreden.
De advocaat vraagt de opslorping uit te spreken gelet op de eerdere feiten waarvoor hij op 12 december 2023 werd veroordeeld. De tuchtraad wijst er evenwel op dat het tuchtrecht, dat volledig geregeld wordt door het Gerechtelijk Wetboek, geen gemilderd of ondergeschikt strafrecht is, zodat de regels van het strafrecht en van de strafprocedure niet van toepassing zijn.
Dat door één van de klagers klachtafstand werd gedaan, belet de stafhouder volgens de tuchtraad niet om te vervolgen.
Voor wat betreft de begroting van de erelonen stelt de tuchtraad vast dat de advocaat door toepassing van allerlei mechanismen er bewust naar streefde om zoveel mogelijk kosten en uren te genereren die echter niet kunnen overeenkomen met de reële tijdsbesteding.
De tuchtraad acht de feiten ernstig en veroordeelt de advocaat tot een effectieve schorsing van drie maanden.