- Gegrond beroep
- Art. 458 §1 Ger. W.
- Procedure uitschrijving lijst tweedelijnsbijstand
Met een aangetekende brief van 6 januari 2017 heeft de advocaat hoger beroep ingesteld tegen de beslissing die de raad van de Orde van advocaten “blijkt te hebben genomen vermoedelijk op 20 december 2016”. De advocaat kreeg van deze “beslissing” kennis op 6 januari 2017. Hij ontving toen een e-mailbericht met de volgende inhoud: “u bent niet langer ingeschreven op de lijst van de advocaten die instaan voor de 2 lijnsbijstand”. Dit bericht vermeldde als onderwerp: uitschrijving tweedelijn.
Er kan geen betwisting bestaan – in tegenstelling met wat de stafhouder voorhoudt – over het feit dat tegenover de advocaat een beslissing – minstens impliciet - werd getroffen. Deze beslissing luidt dat hij vanaf 6 januari 2017 niet langer figureert op de lijst van de advocaten die tweedelijnsbijstand verlenen. Deze beslissing werd op 6 januari 2017 ter kennis van de advocaat gebracht. Uit niets blijkt dat deze beslissing intussen werd gewijzigd (d.w.z. ingetrokken) of dat zij niet werd uitgevoerd.
Het kwaliteitsonderzoek dat de raad van de Orde uitoefent op de kwaliteit van de diensten die verleend worden door de advocaten die tweedelijnsbijstand verlenen is een toezicht in volle omvang. “De raad van de Orde kan in het kader van dat toezicht weigeren een advocaat op te nemen op de lijst (art. 508/7 lid 5 Ger.W.). Of in geval van tekortkomingen is een met redenen omklede beslissing een advocaat schrappen uit de lijst, volgens de procedure ‘zoals in tucht’ (art. 508/8 lid 2 Ger.W.), waartegen dan telkens beroep en een gebeurlijk cassatieberoep openstaat”.(J. Stevens, advocatuur. Regels & Deontologie, Mechelen, Kluwer, 2015, p. 1127, nr. 1394).
De tuchtraad van beroep stelt vast dat de advocaat werd weggelaten van de lijst van advocaten die tweedelijnsbijstand verstrekken, zonder dat de procedure “zoals in tucht” werd gevolgd. Art. 458 § 1 Ger.W. werd niet nageleefd. Dit vormt op zich een voldoende grond voor de vernietiging van de bestreden beslissing wegens schending van een regel van rechterlijke organisatie en het recht van verdediging.
De tuchtraad van beroep vernietigt dan ook de bestreden beslissing die op 6 januari 2017 ter kennis van de advocaat werd gebracht.
De advocaat vraagt de tuchtraad van beroep voor recht te zeggen dat zijn inschrijving op de lijst, bedoeld in art. 508/7 Ger.W., tot op heden onverkort bestaat.
De tuchtraad van beroep heeft met betrekking tot de samenstelling van deze lijst geen bevoegdheid.
De advocaat verzoekt eveneens aan de tuchtraad van beroep om vast te stellen dat de beslissing van de raad van de Orde die hem gelijk stelt met een advocaat die op vandaag nog niet meewerkt in het kader van de kosteloze juridische bijstand maar dit wel wenst, en die hem betitelt als een advocaat die niet voldoet aan de voorwaarden om opgenomen te worden op de lijst van deze advocaten, teniet te doen.
Dit verzoek heeft geen voorwerp nu de beslissing, die hem op 6 januari 2017 werd meegedeeld, nietig is. De beoordeling van deze vraag kan niet tot een andere beslissing leiden.