- Permanente vorming
- Onpartijdigheid
- Niet strijdig met W.E.R.
- Waarschuwing
De advocaat werd vervolgd omdat hij voor het gerechtelijk jaar 2014-2015 slechts 3 punten had behaald voor de permanente vorming (thans art. 52,53 en 57 van de codex deontologie voor advocaten).
Aan de advocaat werd de tuchtstraf van de waarschuwing opgelegd.
Wanneer de rechter als regelgever betrokken was bij de totstandkoming van de betrokken norm, dit geen reden tot wraking is (Arbitragehof, 10 mei 1994, nr. 35/94, R.W., 1994-95, 23, met noot, waarbij verwezen wordt naar Arbitragehof, 29 januari 1987, R.W., 1986-87, 2433 met noot L. Vermeire en EHRM, 23 juni 1993, R.W., 1993-94, 848, met noot M. Wouters). Het feit dat iemand betrokken is bij het wetgevend proces volstaat op zich niet om diens objectieve onpartijdigheid als rechter in het gedrang te brengen.
De advocaat voert aan dat de bepalingen van art. 52,53 en 57 van de codex deontologie voor advocaten strijdig zijn met art. III.13 § 1 W.E.R.
De tuchtraad van beroep verwijst naar de twee arresten die gewezen werden door het Hof van Cassatie op 22 december 2005 inzake de permanente vorming (Cass. 22 december 2005, T.B.B.R., 2008, 122, Cass. 22 december 2005, RABG, 2006, 319 met noot B. Maes).
Uit deze arresten blijkt dus dat de Ordes een zekere mate van vrijheid hebben bij de beoordeling van wat nuttig en passend is voor het te bereiken wettelijke doel, met de kennelijke evenredigheid en kennelijke redelijkheid als criteria. (J. Stevens, Advocatuur. Regels & Deontologie, Mechelen, Wolters Kluwer, 2005, p. 201, nr. 238. 4 e.v.).
De OVB heeft dus niet enkel de bevoegdheid om de permanente vorming te organiseren, maar kan ook de criteria bepalen waaraan de activiteiten moeten voldoen om als permanente vorming erkend te worden.
De OVB heeft een erkenningscommissie opgericht. Deze commissie oordeelt over de vraag of een bepaalde activiteit al dan niet in aanmerking komt om erkend te worden in het kader van de permanente vorming, en, zo dit het geval is, hoeveel punten hieraan worden toegekend (art. 55-56 codex deontologie voor advocaten).
Indien de erkenningscommissie een aanvraag tot erkenning afwijst kan de aanvrager hiertegen bezwaar aantekenen. Het dossier wordt dan opnieuw onderzocht (art. 56 codex deontologie voor advocaten).
De advocaat verliest klaarblijkelijk uit het oog dat niet enkel de organisator van een permanente vormingsactiviteit maar ook een individuele advocaat een aanvraag tot erkenning kan indienen.
Uit niets blijkt dat de advocaat dit ooit heeft gedaan.
Art. 52 van de codex deontologie voor advocaten bepaalt dat de permanente vorming een deontologische plicht is voor elke advocaat. Deze verplichting is opgenomen in de definitie van beoefenaar van een vrij beroep, zoals opgenomen in het W.E.R. Deze permanente vorming houdt in “zich op regelmatige wijze bekwamen en bijscholen in juridische of beroepsondersteunende materies, door erkende cursussen te volgen en / of te doceren, lezingen in juridische materies te houden, of te publiceren in de zin van dit hoofdstuk”.
Art. 57 Codex deontologie voor advocaten bepaalt dat de advocaat uiterlijk op 30 september verslag moet uitbrengen over het door hem gevolgde programma van permanente vorming.
De tuchtraad van beroep bevestigt de waarschuwing als sanctie.
Lees ook deze beslissing