- Punten permanente vorming
- Exceptie van nietigheid
- Scheiding der machten
- Vrijheid handel en nijverheid niet absoluut
- Art. III.13§1 WER
- Vrijstelling permanente vorming
- Blanco tuchtverleden
- Waarschuwing
Procedure
De artikelen van de Codex Deontologie die de verplichting opleggen voor een advocaat om zich permanent bij te scholen en per gerechtelijk jaar 16 uren opleiding te volgen en hiervan te rapporteren aan de OVB, vormen geen inbreuk op artikel III.13.§1 WER.
De vrijheid van handel en nijverheid is niet absoluut en kan door de wetgever beperkt worden mits deze beperkingen verantwoord zijn door het algemeen belang, niet disproportioneel zijn en het vrijheidsbeginsel niet uithollen. De verplichting voor een advocaat om zich bij te scholen en de verplichting voor de advocaat om aan de OVB te rapporteren zodat deze de mogelijkheid heeft om te controleren of de advocaat aan zijn bijscholingsverplichting heeft voldaan, is zeker verantwoord en niet disproportioneel met het nagestreefde doel, nl. een kwaliteitsvolle advocatuur.
Evenmin is er enige onwettigheid in de wijze waarop de OVB de activiteiten van permanente vorming erkent en bepaalt hoeveel punten hieraan worden toegekend.
De stelling van de advocaat dat hij voor zichzelf mag bepalen welke opleidingen en vormingen hij zal volgen en dat hij niet gehouden is om aan de OVB te rapporteren omtrent de door hem gevolgde permanente vorming, kan niet worden gevolgd. Dat verhindert elke mogelijke controle vanwege de stafhouder op de verplichting voor elke advocaat om zich bij te scholen en zou bijgevolg tot totale willekeur leiden. De verplichting voor een advocaat om de aanwezigheidsattesten van de gevolgde opleidingen te rapporteren, vormt een noodzakelijk middel en instrument voor de stafhouder om te controleren of een advocaat voldaan heeft aan zijn wettige verplichting om per jaar 16 permanente vormingspunten te verzamelen.
Ten gronde
Art. II.3.2 Codex Deontologie voorziet slechts in de mogelijkheid van een positieve overdracht wanneer in een gerechtelijk jaar een overtal aan punten wordt behaald (met een maximum van 32 punten). Negatieve overdrachten zijn niet voorzien en kunnen bijgevolg niet aangerekend worden.
De tuchtraad begrijpt niet waarom de OVB een berekeningswijze handhaaft en toepast die in strijd is met de eigen Codex Deontologie. De toegepaste berekeningswijze wordt hierdoor onnodig ingewikkeld waardoor het zowel voor de stafhouder als voor de betrokken advocaat niet altijd duidelijk is hoeveel punten er nu eigenlijk werden behaald. De inbreuken op de artikelen II.3.1, II.3.2 en II.3.6 van de Codex Deontologie staan vast.
Uit het dossier en de voorgelegde brieven die zich in het dossier bevinden, kan de tuchtraad geen vraag aan de stafhouder ontwaren tot vrijstelling van zijn verplichting tot permanente vorming zoals voorzien in artikel II.3.2. Codex Deontologie. Dergelijke aanvraag werd wél geformuleerd ter gelegenheid van zijn verhoor door de verslaggever nadat het tuchtonderzoek werd opgestart. Deze vraag werd, voor zover bekend aan de tuchtraad, niet beantwoord door de stafhouder.
Het onbeantwoord laten van deze vraag door de stafhouder, nadat een tuchtonderzoek werd opgestart, kan niet als een stilzwijgende vrijstelling van de verplichting tot permanente vorming worden beschouwd. Een - gevraagde - vrijstelling door de stafhouder moet uitdrukkelijk worden toegestaan met vermelding van de gegronde redenen waarop de vrijstelling gebaseerd zou zijn.
De advocaat heeft geen tuchtverleden. Nu de advocaat voor het jaar 2015-2016 18 punten heeft behaald, kan worden afgeleid dat hij zich in de toekomst verder zal conformeren aan de bestaande reglementering in zake de permanente vorming. Een principiële straf dient echter te worden uitgesproken, nu de tuchtraad vaststelt dat geen gunstmaatregel werd gevraagd, ook niet in ondergeschikte orde. In de gegeven omstandigheden maakt een waarschuwing een passende bestraffing uit. Een desgevallend tijdig hoger beroep tegen deze beslissing schorst de tenuitvoerlegging.