- Paleisverbod
- Strafrechtelijke feiten/vervolging
- Art. 473 Ger. W.
- Redelijke termijn
- Territoriale beperking
Hoger beroep werd aangetekend tegen volgende beslissing: “verlengt het paleisverbod ten aanzien van de advocaat en verbiedt deze laatste derhalve alle gerechtsgebouwen van het koninkrijk voor een periode van 3 maanden vanaf 22 juli 2016 te betreden”
Aan de bestreden beslissing liggen volgende feiten ten oorsprong.
O.m. lastens de advocaat werd een strafrechtelijk onderzoek gevoerd, waarna hij werd verwezen naar de correctionele rechtbank.
De feiten, die aan de advocaat ten laste worden gelegd, worden als volgt omschreven:
- "… met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, in handels – of bankgeschriften of in private geschriften
- met hetzelfde bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden gebruik gemaakt te hebben van de valse akten of van de valse stukken, wetende dat ze vervalst waren, namelijk van de valse getuigschriften zoals geviseerd onder tenlastelegging sub A”.
De raad van de Orde motiveerde zijn beslissing van 24 juni 2016 als volgt:
“… Door een overtuigingstuk te manipuleren en een stuk aan te wenden voor een rechtbank, waarop hij zelf een nagebootste handtekening heeft aangebracht, heeft de advocaat ontegensprekelijk het vertrouwen van de rechterlijke macht geschonden.
In dezelfde zin heeft de advocaat door het manipuleren van dit overtuigingstuk en door de aanwending ervan in rechte niet alleen het vertrouwen van de rechterlijke macht geschonden, maar eveneens de uitoefening van het beroep bemoeilijkt daar waar hij eveneens het vertrouwen heeft geschonden van de Orde van Advocaten.
Gelet op de aard en het schijnbare gemak waarmee de feiten werden gepleegd dient gevreesd te worden dat het zonder meer verder zetten van de beroepswerkzaamheid van de advocaat binnen de rechtbanken nadeel kan toebrengen aan derden en/of aan de eer van de Orde van Advocaten.
Een verlenging van het paleisverbod dringt zich dan ook op.”
Als eerste middel voert de advocaat tegen de bestreden beslissing aan dat deze werd genomen in strijd met artikel 473 Ger. W. en bijgevolg onregelmatig is. Hij argumenteert dat de stafhouder de raad van de Orde niet uitdrukkelijk heeft verzocht om het paleisverbod te verlengen.
Dit standpunt kan niet worden bijgetreden.
De advocaat werd opgeroepen om te verschijnen voor de raad van de Orde onder de volgende bewoordingen: “ Overeenkomstig art. 473 Ger. W. zal de raad, na u te hebben gehoord, beslissen over een eventuele verlenging van de bewarende maatregel van paleisverbod …”
De advocaat laat gelden dat de duur van het opgelegde paleisverbod de redelijke termijn overschrijdt.
Een paleisverbod kan worden opgelegd, volgens de duidelijke bewoordingen van art. 473 Ger. W., wanneer de feiten, die aan de advocaat ten laste worden gelegd, de vrees doen rijzen dat de latere beroepswerkzaamheden nadeel kunnen toebrengen aan derden of aan de eer van de Orde.
Het is over deze vrees, d.w.z. de actualiteit ervan, dat de raad van de Orde, in casu de tuchtraad van beroep moet oordelen.
Het is daarbij zonder belang dat een strafrechtelijk onderzoek of een tuchtonderzoek beëindigd zou zijn. Een bewarende maatregel, zoals aangeduid in art. 473 Ger. W., staat volkomen los van het bestaan en a priori van de stand van dergelijk onderzoek.
De advocaat voert als derde middel aan dat, gelet op het tijdsverloop, thans niet meer te vrezen valt dat zijn latere beroepswerkzaamheid nadeel zou kunnen toebrengen aan derden of aan de eer van de Orde.
Het paleisverbod is geen tuchtsanctie. Dergelijk verbod houdt geen beoordeling in van de schuld of onschuld van de betrokken advocaat. Deze blijft van het vermoeden van onschuld genieten tot wanneer de bevoegde instantie, zo deze instantie gevat wordt, hierover heeft geoordeeld.
M.b.t. het vervuld zijn van de voorwaarden om aan de advocaat een paleisverbod op te leggen verwijst de tuchtraad van beroep naar de overwegingen, gemaakt door de raad van de Orde, in zijn beslissing van 24 juni 2016.
Volledigheidshalve voegt de tuchtraad van beroep hieraan het volgende toe.
De feiten, die ten laste van de advocaat worden gelegd, nl. valsheid te hebben gepleegd in een document, bestemd voor de rechtbank, en dit document ook voor de rechtbank te hebben gebruikt, zijn zeer ernstig. De advocaat heeft deze feiten erkend. Zij houden rechtstreeks verband met de uitoefening van zijn beroep van advocaat. Zij zijn van aard om twijfel te doen ontstaan over de persoonlijke integriteit van de advocaat bij de rechtszoekenden in het algemeen, en bij zijn cliënteel in het bijzonder. Hierdoor wordt de geloofwaardigheid, d.w.z. de eer van de advocatuur aangetast. Deze houding schaadt de reputatie van de advocaat, en van de advocatuur, bij de magistratuur en de medewerkers van het gerecht. In het licht hiervan is het paleisverbod, opgelegd door de stafhouder, en verlengd door de raad van de Orde, ten zeerste verantwoord.
De tuchtraad van beroep oordeelt dat de vrees voor het nadeel dat aan derden of aan de eer van de Orde zou worden toegebracht, nog reëel aanwezig is.
De advocaat dient binnen zeer korte tijd voor de rechtbank te verschijnen. In afwachting hiervan moet worden vermeden dat de advocaat voor de rechtbank, die zijn dossier moet beoordelen, dossiers van cliënten behartigt.
Daarom oordeelt de tuchtraad van beroep enerzijds dat het paleisverbod door de raad van de Orde in zijn beslissing van 24 juni 2016 terecht verlengd werd, maar anderzijds dat dit verbod territoriaal beperkt moet worden zoals aangeduid in het beschikkend gedeelte van deze beslissing.
De tuchtraad van beroep bevestigt het paleisverbod, zoals verlengd in de beslissing van 24 juni 2016, maar zegt dat het verbod om de gerechtsgebouwen te betreden beperkt wordt tot de gebouwen van de rechtbank te ..., afdeling ..., waarin begrepen de gebouwen van het vredegerecht van ..., ... en ....