- Art. 508/8 Ger. W.
- Art. 458, §1 Ger. W.
- Gegrond beroep
Het (kwaliteits)toezicht van de raad van de Orde
Artikel 508/8 Ger. W. bepaalt dat de Orde van Advocaten toeziet op ‘de kwaliteit van de prestaties die door de advocaten worden verstrekt in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand’. Gezien de wetsgeschiedenis en de wetscontext van het artikel, en het (financieel) verregaande ingrijpende karakter van de voorziene sanctie, moet aangenomen worden dat het niet louter betrekking heeft op de dienstverlening van de advocaat aan zijn cliënt, maar ook op de organisatie en de werking van het BJB en op de relatie en de communicatie van de advocaat met dat BJB, dat als de eerste controleur van de behoorlijke en correcte werking van het in 1998 ingevoerde systeem moet worden aanzien.
Aldus beschouwd, beschikt de Orde van Advocaten zonder twijfel over de nodige macht om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop de advocaten, die prestaties verrichten ‘in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand’, gebruik maken van het (vergoedings-)systeem (cf. J. Stevens, “Advocatuur, Regels & Deontologie”, Mechelen, Wolters Kluwer, 2015, p. 1126, nr. 1394, voetnoot 5380: Cass. 2 april 2012, D.11.0015.N: “Bij het toezicht op de kwaliteit en de eventuele tekortkomingen kan rekening worden gehouden met zowel de dienstverlening van de betrokken advocaat aan de cliënt, als met het nut of nodeloos karakter van deze dienstverlening in het kader van het juridisch bijstandssysteem”).
De vaststelling dat feiten die kunnen leiden tot een beslissing overeenkomstig artikel 508/8 Ger. W., ook de aanleiding kunnen vormen voor een tuchtonderzoek en voor een tuchtvervolging, doet geen afbreuk aan de toezichtstaak van de Orde van Advocaten en de rechtsmacht die zij, in dit kader, toebedeeld kreeg. Een eventuele schrapping van de BJB-lijst is, stricto sensu, geen tuchtsanctie.
De wijze van uitoefening van het toezicht
Het toezicht waarvan sprake is in artikel 508/8 Ger. W. moet behoorlijk worden uitgeoefend en een eventuele beslissing tot het schrappen van de BJB-lijst moet op een eerlijke wijze tot stand komen, dit wil zeggen met naleving van de algemene beginselen van behoorlijke rechtsbedeling, waaronder de onpartijdigheid van het beslissingsorgaan, de eerlijke behandeling van de zaak en het recht van verdediging (cf. art. 6 EVRM; Cass. 13 september 1999, RW 2000-2001, 263). Artikel 508/8, tweede lid Ger. W. bepaalt dat de beslissing tot schrapping van de BJB-lijst tot stand moet komen volgens de bij de artikelen 458 tot 463 bepaalde procedure of “zoals in tucht”.
De advocaat voert een reeks elementen aan om in concreto aan te tonen dat de procedure niet gevoerd werd zoals in tucht en de bestreden beslissing niet eerlijk tot stand kwam, waaronder:
- Hij werd er niet van in kennis gesteld dat er een onderzoek tegen hem liep. Hij werd voorafgaand aan de zitting niet ondervraagd over de feitelijke elementen die nadien werden aangewend bij het nemen van de betwiste beslissing (schending van art. 458, §1 Ger.W.).
- Er was geen geïnventariseerd onderzoeksdossier, waarvan hij voorafgaand aan de zitting kon kennisnemen;.
- Er was geen voorafgaande mededeling van de (precieze) feiten die hem ten laste werden gelegd. De redenen die aanleiding gaven tot het instellen van de procedure werden niet afdoende vermeld in de oproepingsbrief (schending van art. VII.1.2 CDA).
- Hij die het onderzoek gevoerd heeft, en die ook heeft deelgenomen aan de zitting, in casu de voorzitter van het BJB, heeft deelgenomen aan het beraad (schending van art. 828, 1° Ger.W.).
De tuchtraad van beroep stelt vast dat art. 458, §1 Ger. W. kennelijk niet werd nageleefd, wat op zich een voldoende grond voor de vernietiging van de bestreden beslissing wegens schending van een regel van rechterlijke organisatie en het recht van verdediging.
De tuchtraad van beroep verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.