- Wederinschrijving
- Art. 472, §1 Ger. W.
- Gelijkheidsbeginsel
Met betrekking tot de termijn bepaald in artikel 472, §1 Ger. W.
Artikel 472, §1 Ger. W. bepaalt dat een geschrapte advocaat niet kan worden ingeschreven op het tableau van de Orde dan na het verstrijken van een termijn van tien jaar nadat de beslissing tot schrapping in kracht van gewijsde is gegaan (zie ook hierna).
In de bestreden beslissing verwees de raad van de orde van de NOAB terecht naar artikel 28 Ger. W. dat bepaalt dat iedere beslissing in kracht van gewijsde gaat zodra zij niet meer voor verzet of hoger beroep vatbaar is, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de gevolgen van de buitengewone rechtsmiddelen. Artikel 28 Ger. W. wordt uitgebreid naar de voorziening in cassatie, indien dit cassatieberoep schorsende werking heeft (P. Taelman, Het gezag van het rechterlijk gewijsde. Een begrippenstudie, Diegem, Kluwer, 2001, p. 140-141). In casu had de cassatievoorziening schorsende werking (zie tot de wet van 10 april 2014: art. 468, §3, tweede lid Ger. W., en vervolgens krachtens diezelfde wet: art. 1121/5, 3° Ger. W.), en begon de hier besproken termijn van tien jaar te lopen op de datum van het cassatie-arrest van verwerping van 8 juni 2007.
De raad van de orde van de NOAB was bijgevolg terecht van oordeel dat de vraag tot wederinschrijving niet ontvankelijk was.
Ondergeschikt. Schending van het gelijkheidsbeginsel
De advocaat houdt voor dat hij in het kader van zijn rehabilitatie strenger wordt gestraft dan ‘een andere advocaat’ en hij verzoekt om volgende vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt artikel 472 (vroeger 471) iuncto artikel 469 van het Gerechtelijk Wetboek (vroeger artikel 461) de artikelen 10, 11, 14 en 23 [van de Grondwet] in die mate dat de wederinschrijving slechts kan gebeuren na het verstrijken van een termijn van 10 jaar nadat de beslissing tot schrapping in kracht van gewijsde is gegaan in het kader van artikel 469 van het Gerechtelijk Wetboek (vroeger artikel 461) en geen rekening wordt gehouden met de prorogatieve periode van de voorbehoudsloze weglating”.
De door de advocaat ingeroepen ongelijkheid betreft niet de ongelijkheid tussen personen of partijen, maar deze tussen onderscheiden rechtstoestanden. Hij vergelijkt immers zijn rechtstoestand van schrapping met deze van weglating van het tableau. Er is geen aanleiding voor het stellen van een prejudiciële vraag. Bovendien heeft de advocaat geen belang bij het stellen van de prejudiciële vraag, gezien wat volgt.
Ten overvloede
De vraag van een geschrapte advocaat tot wederinschrijving is – naast wat vereist is bij een primaire inschrijving en naast het respecteren van de wachttermijn van tien jaar, waarvan hierboven sprake – ook onderworpen aan het bestaan van buitengewone omstandigheden, dit omdat er reeds ernstige inbreuken op de plichtenleer werden begaan door de advocaat (art. 472, §1 Ger. W.).
Het vertrouwen van de burger en van de overheid in het beroep van advocaat vereist bij de wederinschrijving van een geschrapte advocaat een zekere terughoudendheid en gestrengheid. Van de verzoekende advocaat mag worden verwacht dat hij zelf actief de omstandigheden aanbrengt en aantoont waaruit, anders dan voordien, thans zijn geschiktheid tot het beroep van advocaat blijkt of kan worden afgeleid omdat hij van een zodanige gewijzigde instelling doet blijken dat niet moet worden gevreesd voor de waarborgen van een behoorlijke beroepsuitoefening met het oog op de belangen van de rechtzoekende, en dat hij aldus aantoont dat het beroepsverbod dat hem werd opgelegd zijn doelmatigheid heeft verloren.
Los van de vraag of de gedupeerden ondertussen door de advocaat werden vergoed volstaat de vastgestelde bedrieglijke verzwijging om ten overvloede te besluiten tot de afwezigheid van buitengewone omstandigheden om de wederinschrijving te wettigen. Uit deze verzwijging blijkt immers dat de advocaat in ieder geval niet in staat blijkt om zich bij zijn beoogde beroepsuitoefening te houden aan het beginsel van rechtschapenheid, vereist door artikel 456 Ger. W.
Het hoger beroep wordt ontvankelijk maar ongegrond verklaard.