- Strafrechtelijke inbreuk
- Art. 496 Sw.
- (poging tot) oplichting
- Art. 196 Sw.
- Valsheid in geschriften
- Art. 197 Sw.
- Gebruik valse stukken
- Blanco tuchtverleden
- Schorsing 6 maanden
De advocaat vroeg in het kader van BJB-dossiers prestaties voor een minnelijke regeling en voegde hierbij telkens een overeenkomst, ondertekend door de cliënt en de wederpartij terwijl de handtekeningen van de verschillende wederpartijen telkens identiek zijn hoewel het om verschillende wederpartijen ging. De betrokkenen ontkenden dat zij een overeenkomst met minnelijke regeling ondertekenden. Deze ontkenningen zijn bewezen door het feit dat drie identieke handtekeningen op drie verschillende overeenkomsten geplaatst zijn van partijen die volstrekt niets met elkaar te maken hebben. Uit alles kan worden afgeleid dat de advocaat de minnelijke overeenkomsten zelf heeft opgemaakt, ondertekend en gedagtekend. Hij maakte hierbij gebruik van de namen van de cliënten en tegenpartijen en zette zelf handtekeningen. De feiten vormen een strafrechtelijke inbreuk op art. 496 Sw., art. 196 Sw. en art. 197 Sw. Deze houding is ook strijdig met de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan de grondslag liggen en een behoorlijk beroepsuitoefening moet waarborgen.
Gelet op de aard van de feiten en het blanco tuchtrechtelijk verleden dringt een tuchtsanctie van een schorsing van 6 maanden zich op.