- Ongepast taalgebruik
- Bewijs
- Leugenachtige verklaringen
- Vrijspraak
Het eerste ten laste gelegde feit luidt dat in briefwisseling met een confrater ongepaste taal zou zijn gebruikt. Het derde onderdeel van de eerste beschuldiging wordt evenwel niet voorgelegd. Bij gebrek aan stukken is het derde onderdeel van de eerste tenlastelegging dan ook niet naar eis van recht bewezen. Wat het eerste en tweede onderdeel van de eerste tenlastelegging betreft, oordeelt de tuchtraad evenmin dat de daarin vermelde mededelingen aan het adres van die confrater getuigen van “ongepaste taal” ten aanzien van een confrater.
De mededeling dat “geduld een schone deugd” is, is niet meer dan het citeren van een van de Nederlandse taal deel uitmakend spreekwoord, waarmee doorgaans bedoeld wordt dat degene die rustig afwacht, beloond wordt. Het gebruik van een in de Nederlandse taal ingeburgerd spreekwoord in communicatie met een confrater, kan bezwaarlijk als “ongepast” worden beschouwd. Uit het ironisch dan wel sarcastisch karakter van de bedoelde communicatie, kan geen beledigend of ongepast karakter worden afgeleid.
De gewraakte correspondentie situeert zich uitsluitend binnen de beroepsgroep van de advocatuur en heeft geen betrekking op enige mededeling die invloed heeft op de verhouding met derden. De algemene beginselen inzake confraterniteit veronderstellen een onderlinge – aan de evolutie van de samenleving aangepaste – hoffelijkheid, die hier niet werd aangetast door de ironisch bedoelde mededelingen.
De beweerdelijk “leugenachtige” bewering in de tweede tenlastelegging is evenmin naar eis van recht bewezen. Bij een dossiercontrole zou aan het licht zijn gekomen dat een prestatie van 3 jaar oud niet werd gefactureerd, terwijl de advocaat beweerdelijk wist dat deze prestatie niet voor honorering in aanmerking kwam en de factuur werd uitgeschreven als tegenzet voor de ingediende klacht bij de stafhouder. Uit het dossier blijkt niet dat de aanrekening van deze prestatie een “tegenzet” was voor de ingediende klacht nu de chronologie van het dossier dat tegenspreekt. Er is geen enkel objectief element waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de uitleg van de advocaat over de factuurbetwisting leugenachtig zou zijn.
De advocaat wordt vrijgesproken.