- Niet (tijdig) overmaken dossier aan opvolger
- Niet (tijdig) beantwoorden briefwisseling stafhouder
- Derdengelden / derdenrekening
- Verzachtende omstandigheden
- Schorsing 1 maand
- Werkingskosten
- Kosten van het onderzoek
- Art. 460 Ger. W.
De advocaat heeft een dossier van een gewezen cliënt pas, na herhaaldelijk aandringen, overgemaakt aan zijn opvolger nadat hem was gemeld dat een tuchtonderzoek tegenover hem zou worden geopend. Hij beroept zich echter als verzachtende omstandigheid op de zware ziekte van zijn zoon, wat zijn functioneren heeft bemoeilijkt. Ondanks begrip hiervoor van de tuchtraad, kan de inbreuk op zich hierdoor echter niet worden gerechtvaardigd.
Ook m.b.t. het laattijdig beantwoorden van de briefwisseling van de stafhouder wordt dezelfde verzachtende omstandigheid ingeroepen. Wanneer een advocaat nalaat de brieven van zijn tegenstrever en brieven van de stafhouder te beantwoorden, maakt hij een normale beroepsuitoefening als advocaat onmogelijk, wat evident een inbreuk uitmaakt op de algemene beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep ten grondslag liggen en die een behoorlijke beroepsuitoefening moeten kunnen waarborgen.
De tuchtraad tilt zwaar aan de inbreuken m.b.t. de derdengelden. De advocaat geeft onomwonden toe dat hij zich op diverse vlakken gewoon niet gehouden heeft aan deze pertinente deontologische voorschriften, die nochtans zeer strikt en duidelijk zijn. De evolutie van zijn derdenrekening toont aan dat er diverse malen vermenging is geweest tussen zijn persoonlijke fondsen en de derdengelden, waaraan per definitie zo maar geen persoonlijke bestemming zonder meer mag worden gegeven. Ook de jaarlijks verplichte rapportering van de derdengelden van zijn kantoor gebeurde niet. De advocaat heeft de technieken m.b.t. de derdengelden aangewend ‘om fiscale redenen’, wat uiteraard totaal onaanvaardbaar is.
Naast onder meer het beroepsgeheim is ook het volle respect voor de fondsen die aan derden toebehoren voor een advocaat essentieel en elementair en een van de hoekstenen van het beroep van advocaat. Deze deontologische voorschriften moeten aan de rechtsonderhorige de waarborg bieden dat aan hun financiële belangen in geen enkel opzicht door een advocaat zal worden getornd. De advocaat heeft zich in geen enkel opzicht hieraan gehouden, wat ten zeerste de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid van het beroep van advocaat door hem in het gedrang heeft gebracht.
Gelet op de aard van de feiten doch ook gelet op de familiale problemen en zijn bewering dat geen enkele cliënt ook maar één eurocent heeft moeten ontberen en het feit dat hij tegenover de onderzoeker in fine van zijn verhoor zijn gemeende excuses heeft aangeboden voor de verkeerde houding die hij op de diverse vlakken had aangenomen, wordt een schorsing van een maand opgelegd. De kostenstaat van de stafhouder wordt afgewezen nu het normale werkingskosten betreffen en ze niet als kosten van het onderzoek kunnen worden aangemerkt (art. 460 Ger. W.).