- Niet (tijdig) beantwoorden briefwisseling
- Leugenachtige verklaringen
- Art. 133 al.2 Codex Deontologie
- Werkingskosten
- Kosten van het onderzoek
- Art. 460 Ger. W.
- Waarschuwing
Wanneer een advocaat nalaat de brieven van zijn tegenstrever – en zeker deze van de stafhouder – te beantwoorden, maakt hij een normale beroepsuitoefening als advocaat onmogelijk, wat een inbreuk uitmaakt op de algemene beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep ten grondslag liggen en die een behoorlijke beroepsuitoefening moeten kunnen waarborgen.
Ondanks de nalatigheid en slordigheid in hoofde van de advocaat, wordt hij te goeder trouw geacht zonder dat dit gegeven evenwel de inbreuk als dusdanig kan rechtvaardigen. Hij had namelijk verkeerdelijk voorgehouden dat hij naar aanleiding van een gerechtelijk onderzoek een bijkomende provisie van 1.000,00 euro had geregeld aan de griffie, bestemd als waarborg voor de bijkomende onderzoekhandelingen. Hierdoor was in tegenstelling tot het minnelijk tussen partijen gesloten akkoord het volgens de advocaat, na herhaald verzoek van zijn tegenstrever, niet mogelijk geweest om dit (volgens hem aan de griffie doorbetaald) bedrag in het kader van dit minnelijk akkoord vooralsnog aan zijn tegenstrever te storten.
Slechts na interventie van zijn tegenstrever is gebleken dat hij het bedrag niet aan de griffie had overgemaakt.
Gelet op de aard van de feiten die op zich onaanvaardbaar zijn doch waarbij de advocaat zich laattijdig wel in regel heeft gesteld en anderzijds op zijn goede trouw, legt de tuchtraad de sanctie van waarschuwing op. De kostenstaat van de stafhouder wordt afgewezen nu het normale werkingskosten betreffen en ze niet als kosten van het onderzoek kunnen worden aangemerkt.