- Niet tijdig overmaken dossiers aan opvolger
- Niet beantwoorden briefwisseling stafhouder
- Niet nakomen beloften aan stafhouder
- Tuchtverleden
- Schorsing 1 maand
- Werkingskosten
- Kosten van het onderzoek
De advocaat moet zich realiseren dat het in gebreke blijven t.o.v. de opvolgende confrater deze in een lastig parket brengt nu deze op zijn beurt dient te communiceren naar de cliënt waartoe hij door het in gebreke blijven van de opgevolgde advocaat in de onmogelijkheid wordt gebracht om dit tijdig en zinvol te doen. Dat komt het imago van de advocatuur niet ten goede.
De stafhouder moet kunnen rekenen op een loyale medewerking van de advocaten van zijn balie, zijn briefwisseling dient dadelijk beantwoord, elke advocaat weet, - moet weten – dat men zich door het niet beantwoorden van de briefwisseling van de stafhouder aan tuchtsancties blootstelt.
De houding van de advocaat is strijdig met de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen (art.455 Ger. W.) en met art. III.2.6.1 van de Codex deontologie voor advocaten.
Rekening houdend met de aard van de feiten nl. de persistente inertie om de briefwisseling van de opvolgende confrater en de stafhouder te beantwoorden en het feit dat de advocaat in het verleden reeds tweemaal een tuchtsanctie heeft opgelopen, dringt de tuchtsanctie van een schorsing van één maand zich dan ook op. M.b.t. de kosten bepaalt art. 460 laatste lid Ger. W. dat “de kosten die voor het onderzoek en het onderzoek ter terechtzitting werden gemaakt” ten laste van de betrokken advocaat kunnen worden gelegd. De door de stafhouder gevorderde kosten kunnen niet als kosten van het onderzoek worden aangemerkt. Het betreft normale werkingskosten. De tuchtraad wijst de gevorderde kosten af.