- Zittingsincident
- Beledigend taalgebruik t.a.v. magistraat
- Werking raadkamer
- Twijfel
- Bewijs
- Vrijspraak
Ter terechtzitting op de zitting van de raadkamer heeft zich een incident voorgedaan tussen de advocaat en de parketmagistraat. Uit het dossier blijkt duidelijk een vertroebelde relatie tussen de advocaat en sommige leden van het parket. De advocaat zou zich tot de afdelingsvoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg hebben gewend om zich te beklagen over de organisatie van de raadkamer voor de behandeling van een zaak van zijn cliënt. De advocaat had niet de intentie de parketmagistraat zelf te beledigen, doch dat neemt niet weg dat het taalgebruik van de advocaat zeker niet gepast was. Hij kon het conflict voorkomen door zijn opmerkingen over de werking van de raadkamer via de geëigende hiërarchische wegen van de balie te laten behandelen. Conform art. 429 Ger. W. mag een advocaat niet afwijken van de “eerbied aan het gerecht verschuldigd” en dit geldt ook t.a.v. het openbaar ministerie.
Zelfs als een advocaat ten onrechte persoonlijk wordt geviseerd, moet hij over voldoende zelfbeheersing beschikken om daar op een correcte en tactvolle wijze op te reageren, desnoods met tussenkomst van de stafhouder. De door de advocaat gebruikte bewoordingen zijn weinig fijnzinnig en onaanvaardbaar, maar toch was zijn houding niet van die aard dat de rechtbank het nodig achtte een proces verbaal te doen opstellen overeenkomstig art. 445 of art. 761 Ger. W.
De houding van de advocaat op de zitting is afkeurenswaardig, maar rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en met het gegeven dat er twijfel kan bestaan over de intentie van de advocaat om de parketmagistraat te beledigen, wordt geen inbreuk op art. 455 Ger. W. en art. I, 1, 1e van de Codex Deontologie voor Advocaten weerhouden en wordt de advocaat vrijgesproken.