- Permanente vorming
- Bevoegdheid onderzoeker
- Bevoegdheid stafhouder
- Advies versus beslissing
- Verweer
- Rechten van verdediging
- Motiveringsplicht
- Gelijkheidsbeginsel
- Ontvankelijkheid tuchtvordering
- Schorsing 8 dagen
- De kosten
De advocaat roept drie middelen in:
- schending van artikel 458 § 1 en 2 Ger. W., schending van de (formele) motiveringsplicht, schending van het onpartijdigheidsbeginsel met betrekking tot het voorafgaand onderzoek;
- schending van de artikelen 495 en 496 Ger. W., schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet), bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet, buiten toepassing verklaren, in de mate zoals aangediend, van het Regelement inzake Permanente Vorming van 16 juni 2010;
- ondergeschikt: de eigen permanente vorming.
M.b.t. het eerste middel meent de tuchtraad dat het duidelijk is dat de onderzoeker werd aangesteld met volheid van bevoegdheid om de weerhouden tuchtrechtelijke inbreuk ten gronde te onderzoeken, met alle respect voor de rechten van verdediging van de betrokken advocaat, en met de onderzoeksmogelijkheden die hem wettelijk en reglementair voorstaan. De onderzoeker heeft de rechten van verdediging van de advocaat geëerbiedigd door hem de kans te bieden schriftelijk dan wel via een persoonlijk verhoor zijn verweer voor te brengen. De advocaat is evenwel op geen van beide mogelijkheden van verweer ingegaan, zonder zelfs enig antwoord aan de onderzoeker te verstrekken. Dat getuigt van een afwezigheid van respect voor de deontologische voorschriften. De onderzoeker heeft ingevolge de volledige inertie en het stilzwijgen vanwege de advocaat geacht dat geen verder onderzoek nodig was. Dit is op zichzelf een louter advies en een vaststelling, doch geen beslissing, bekomen op basis van het gevoerde onderzoek. Conform art. 458 Ger.W. hoort alleen de stafhouder te oordelen of het geval ernstig genoeg is om het naar de voorzitter van de tuchtraad door te verwijzen, terwijl de stafhouder de eerste en overigens op lokaal vlak de enige instantie is die desgevallend kan beslissen dat de zaak niet ontvankelijk is, dat ze ongegrond dan wel van een onvoldoende gewicht om een tuchtprocedure te verantwoorden. Het feit dat de onderzoeker na afronding van het hem opgedragen onderzoek tot de bevinding is gekomen dat de inbreuk wel degelijk vaststaand is, doet geen afbreuk aan het monopolie van de stafhouder om al dan niet verder een tuchtrechtelijk gevolg aan de zaak te verlenen, wat in casu het geval is geworden. Zowel de onderzoeker als de stafhouder hebben alle rechten van verdediging van de betrokken advocaat ten volle gerespecteerd.
Conform art. 459 §1 Ger. W. neemt de tuchtraad kennis van de tuchtzaken ‘door toedoen van de stafhouder’, die op het niveau van de lokale orden de enige instantie is die het beslissingsrecht bezit om een vervolging al dan niet in te stellen, dan wel de zaak te seponeren of zich desgevallend te beperken tot een ‘vaderlijke’ vermaning. De stafhouder is geen vervolgende partij, noch een rechterlijke instantie, maar treedt op als orgaan van de orde. In die zin dient zijn beslissing om de zaak te verwijzen naar de voorzitter van de tuchtraad gemotiveerd te zijn. Nu de wet zelf m.b.t. de plicht tot motiveren geen concrete indicaties verleent, dient de tuchtraad te oordelen of de verwijzing al dan niet genoegzaam in recht is gemotiveerd. In casu heeft de stafhouder op een adequate en behoorlijke wijze zijn beslissing tot doorverwijzing gemotiveerd.
Alle procedurele voorwaarden werden gerespecteerd, het onderzoek is rechtsgeldig geschied en de tuchtvordering werd op een ontvankelijke wijze ingediend en doorgevoerd.
M.b.t. het tweede middel faalt de argumentatie van de advocaat. Het hoort de Orden toe erover te waken dat tussen de advocaten die ervan deel uitmaken de volle gelijkheid moet worden behouden. Beslissingen om zich op een eigen manier bij te scholen zouden dan immers aan elke individuele advocaat moeten worden voorbehouden in het kader van dit gelijkheidsbeginsel en die zouden het evidente risico inhouden om in een situatie van volkomen en niet te aanvaarden willekeur terecht te komen. Dit zou alleen maar tot gevolg hebben dat de essentie van kwestieus reglement compleet zou worden uitgehold.
M.b.t. het derde middel twijfelt de tuchtraad er geenszins aan dat de advocaat een beproefd en ervaren beoefenaar is van het administratief recht, noch dat hij zich individueel en persoonlijk in het kader van zijn eigen beroepspraktijk ook continu bijschoolt in die materie. Evenwel heeft de advocaat geen vraag tot afwijking langs de wettelijk geëigende weg ingediend bij de stafhouder. De advocaat heeft in het betrokken gerechtelijk jaar slechts drie opleidingspunten behaald en beschikt in wezen niet over een geldige verklaring noch excuus hiervoor. Dit maakt een inbreuk uit op de waardigheid en de kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen.
Enerzijds rekening houdend met de aard van de feiten en de obstinate weigering om de dwingende bepalingen van het reglement te volgen en anderzijds rekening houdend met de elementen die de advocaat in zijn conclusies heeft laten gelden, dringt een tuchtsanctie van schorsing van 8 dagen zich op. De kosten worden tevens ten laste gelegd van de advocaat.
Beslissing
Lees ook deze beslissing