- Codex niet van toepassing
- Handel drijven
- Daden van koophandel
- Onverenigbaarheden
- Art. 437.3 en 456 Ger. W.
- Multiprofessionele samenwerking
- Art. 447 Ger. W.
- Art. 196-197 SW
- Leugenachtige verklaringen aan stafhouder
- Liegen in verklaring op eer
- Valse informatie bezorgen aan stafhouder
- Bedreigende mail aan vennoot
- Schorsing 6 maanden waarvan 3 maanden met uitstel voor 3 jaar
Procedureel
De tenlastelegging verwijst enerzijds naar de bepalingen uit het Ger. W. en anderzijds naar bepalingen uit de Codex Deontologie. De Codex is slechts van toepassing sinds 1.1.2015 en bestond nog niet op datum van de te beoordelen feiten en gedragingen en kan dus niet worden toegepast. De tuchtvordering verwijst echter ook naar de algemene principes vervat in de artikels 437,3 , 447 en 456 Ger. W. De tuchtraad onderzoekt en beoordeelt de tenlastelegging dan ook uitsluitend met toepassing van deze bepalingen van het Ger. W. Wat betreft de inbreuk tegen het verbod op samenwerking met niet-advocaten stelt de raad vast dat dergelijke inbreuk destijds beteugeld werd door het toenmalig toepasselijke Reglement van de Nationale Orde d.d. 22.01.03.
Ten gronde
De advocaat heeft daden van koophandel gesteld, zodat de inbreuken op art 437,3° en 456 Ger W. bewezen zijn. Hij participeerde bovendien in een vennootschap die een gelijkaardige activiteit deed als deze die hij als advocaat uitoefende en hierbij maakte een niet-advocaat eveneens deel uit van die vennootschap. Dit hield een verboden multiprofessionele samenwerking in. De advocaat begaat hiermee een inbreuk op art. 1 en art. 4 van het toenmalige Reglement van de Nationale Orde van 22.01.03. Bovendien zijn inbreuken op art. 447 en 456 Ger. W. én art. 196-197 SW bewezen ingevolge de leugenachtige verklaringen die de advocaat deed tegenover de stafhouder. Hij heeft opzettelijk, met kennis van zaken en voorbedachtheid de stafhouder valse informatie én stukken bezorgd en gelogen in een verklaring op eer. Dat zijn absoluut uiterst laakbare feiten die niet te verontschuldigen vallen. De advocaat zond aan zijn mede vennoot een mail in niet mis te verstane formulering die duidelijk bedreigend is, zogenaamd geschreven in een woedebui en in hoedanigheid van privépersoon, doch wel met zijn professionele mailadres zodat de mail niet als zijnde afkomstig van een privépersoon kan worden aanzien. Dergelijke handelswijze is strijdig met de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid en vormt een inbreuk op art 456 Ger. W.
Het betreft zeer ernstige inbreuken zodat een strenge beteugeling zich opdringt. De tuchtraad legt een schorsing op van zes maanden waarvan - bij toepassing van art 460, voorlaatste lid Ger W - drie maanden effectief en drie maanden met uitstel voor 3 jaar. Een eventueel hoger beroep tegen deze beslissing zal de tenuitvoerlegging ervan schorsen.
Lees ook deze beslissing
TB-0169-2016: Beslissing 18 april 2017
Samenwerking niet-advocaat
Medewerking stafhouder / balie
Schorsing met uitstel