- Bijstand gedetineerde
- Acht dagen schorsing
De advocaat dient zich te verantwoorden voor het feit dat zij, na te zijn aangesteld door het Bureau voor Juridische Bijstand als raadsman van rechtzoekende X, zich bevindend in voorhechtenis, deze niet te zijn gaan bezoeken in de gevangenis, noch voorafgaand aan de zitting van de raadkamer, noch na de zitting van de raadkamer, noch voorafgaand aan de zitting van de K.I.
De advocaat heeft sedert haar aanstelling door het BJB haar cliënt nooit bezocht in de gevangenis, totdat zij werd opgevolgd door een confrater.
Zij is gebeurlijk tekort geschoten in haar plicht tot diligentie om te zorgen voor een oordeelkundige bijstand van de rechtzoekende in de procedure voor de raadkamer en nadien in graad van beroep voor de K.I.
Dit gebrek aan diligentie schaadt bovendien het vertrouwen dat de rechtzoekende stelt in de advocaat.
De advocaat betwist de tenlastelegging niet.
Zij voert aan dat de feiten zich voordeden in een periode dat haar kantoor verhuisd werd en zij de zorg voor haar zieke moeder op zich diende te nemen.
Uit het dossier blijkt verder dat de advocaat uit het (korte) gesprek dat zij met haar cliënt op de raadkamer had, kon afleiden dat haar cliënt “simpel van geest” was en dat de aanhouding van de heer X door de raadkamer bevestigd werd omdat haar cliënt niet over een vaste verblijfplaats beschikte.
De tuchtraad stelt vast dat de advocaat, hoewel zij bewust was van het feit dat haar cliënt ‘simpel van geest” was, geen enkel initiatief genomen heeft om deze te helpen bij het in orde maken van zijn domicilieadres. De tuchtraad stelt verder vast dat de medebeklaagde van de heer X door de kamer van inbeschuldigingstelling wel in voorlopige vrijheid werd gesteld, juist omdat deze ondertussen wel over een vast adres beschikte.
De tuchtraad is van oordeel dat de advocaat te kort is geschoten aan haar verplichting om haar cliënt op oordeelkundige wijze bij te staan bij zijn verdediging op de zittingen van de raadkamer van en van de kamer van inbeschuldigingstelling.
De advocaat heeft twee voorgaande tuchtveroordelingen opgelopen.
Rekening houdend met enerzijds de ernst van de feiten en anderzijds de concrete omstandigheden waarin deze zich hebben voorgedaan en met het tuchtverleden van de advocaat, beslist de tuchtraad om aan de advocaat een schorsing van acht dagen op te leggen.