- Confraterniteit
- OVB-reglement
- Codex niet van kracht
- Niet inlichten tegenstrever
- Verstek ondanks kennis van tegenstrever
- Betekening en uitvoering zonder kennisgeving aan tegenstrever
- (laattijdig) schuldinzicht
- Berisping
De tenlastelegging verwijst enerzijds naar de bepalingen uit het Gerechtelijk Wetboek en anderzijds naar de bepaling voorzien in de codex deontologie. Die codex verscheen in het BS op 30.09.14 en werd slechts van toepassing vanaf 01.01.15. De codex bestond dus niet op datum van de te beoordelen feiten en gedragingen en kan in casu dan ook niet worden toegepast. De tuchtvervolging verwijst echter ook naar de algemene principes vervat in art. 455 en 456 van het Gerechtelijk Wetboek en de tuchtraad zal de tenlastelegging dan ook met toepassing van deze bepalingen onderzoeken en beoordelen. De inbreuken beteugeld door de bepalingen van de codex en waarnaar verwezen in de tenlastelegging werden op het ogenblik der feiten gesanctioneerd door het Reglement van de Orde van Vlaamse Balies met betrekking tot de aan de procedures verbonden regels van confraterniteit van 31.01.07 (B.S. 21.02.07), art. 1, art. 2, art. 9, art. 10 en art. 11.
De advocaat dat hij zijn tegenstrever bericht gelaten dat hij zou overgaan tot dagvaarding doch wachtte vervolgens zes maanden om een procedure in te leiden. Dat bericht was het laatste (schriftelijk) contact tussen de raadslieden waarna de advocaat door neerlegging van twee verzoekschriften ter griffie van de arbeidsrechtbank de procedure zes maanden later opstartte. Hij was er zich van bewust dat hij deontologisch gehouden was zijn confrater erover in te lichten dat een procedure zou worden ingesteld alvorens zijn voornemen tot het opstarten van een procedure te realiseren. Wanneer men zich meer dan zes maanden hult in een volslagen stilzwijgen om daarna zonder enig bericht alsnog gerechtelijke actie middels de neerlegging van tweeverzoekschriften te ondernemen, dan is een dergelijk nalaten een inbreuk op de art. 1 en 2 van het reglement van de OVB dd. 31.01.07. Wanneer hij bovendien ter inleidingszitting en na tussenvonnis ter zitting vaststelde dat in de zaak de betrokken confrater-tegenstrever niet ter zitting aanwezig was, had hij “al het mogelijke” dienen te doen om deze – hem bekende – confrater te bereiken, wat hij echter manifest naliet.
Verder ging de advocaat over tot betekening en daadwerkelijke uitvoering van het gewezen vonnis, zonder kennisgeving hiervan aan zijn tegenstrever, wat wederom een inbreuk is op de deontologische verplichting van art. 10 van het reglement van de OVB dd. 31.01.07.
In hoeverre gehandeld werd ter kwader trouw of met de intentie zijn confrater te verschalken kan niet achterhaald worden en is minstens niet bewezen. De tenlasteleggingen zijn echter wel bewezen en rekening houdend met zijn – laattijdig – schuldinzicht, wordt de tuchtsanctie van berisping opgelegd.